site teller
site teller
site teller
gran-canaria-actueel.jouwweb.nl

00000LOGOMETBANNERGranCanariaActueel-1.jpg

mapa-canarias2-83.jpg


De ULPGC neemt deel in het
Nuevo Diccionario Histórico van de RAE

SPANJE - donderdag 5 oktober 2017 -  De Universiteit van Las Palmas de Gran Canaria (ULPGC) heeft een convenant ondertekend met de Real Academia Española (RAE) (Koninklijke Spaanse Academie) en de Universiteit van Santiago de Compostela (USC) om gezamenlijk te werken aan de totstandkoming van het Nuevo Diccionario Histórico de la Lengua Española (NDHE) (Nieuwe Historische Woordenboek van de Spaanse Taal).

Zo heeft het onderwijsinstituut laten weten in een communiqué, waaraan men toevoegt dat de duur van de samenwerking tussen de universiteiten drie jaar zal zijn, en te verlengen is met nog eens twee jaar.
archieffoto-1.jpg
                                                                       Archieffoto.
Momenteel werkt de RAE aan de voorbereiding van het NDHE, waarvan het doel is, op een samenhangende manier de morfologische betrekkingen (gedaanteleer ) tussen de woorden van het Spaans vaststellen.

Ondertussen voert de USC het project Base de Datos de Morfología del Español (BDME) (Basisgegevens van de Gedaanteleer van het Spaans) uit onder leiding van de professoren Jesús Pena Seijas en María José Rodríguez Espiñeira, die onder andere doeleinden, de dekking verstrekt op het gebied van hun morfologische en genetische. configuratie

Op zijn beurt wordt het computeronderdeel van het project geleid door professor Francisco Javier Carreras Riudavets van de ULPGC dat wordt uitgevoerd door de onderzoeksgroep 'Cognition, Linguistic, Text and Information Processing '(Taalkundige Herkenning en Informatie-behandeling) , die behoort tot het Instituto Universitario de Análisis y Aplicaciones Textuales (IATEXT) (Universitair Instituut voor Analyse en Teksttoepassingen).
zzzzzzzislas-canariaslogo-642.jpg

Veelgemaakte schrijffouten in het Spaans: 

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K -N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z 
top-logo-25aniversario.png

DON QUIJOTE CENTRAL  -  Kantoor Nederland:
Parkstraat 6  -  3016 BD Rotterdam

Tel : +31 (0) 10 476 35 33       E-Mail: dqnl@donquijote.org
Zie de Don Quijote-brochure op het Internet:
https://issuu.com/donquijotespain/docs/dqminibrochurenl

30 Scholen in 12 Spaanstalige landen
Op de Canarische Eilanden 
is de school van ‘don Quijote’ (met zeven leslokalen) gevestigd aan de 
Avenida de Colón (Edifico ‘Bélgica’
 38400 Puerto de La Cruz,

dichtbij het Martiánez-zandstrand (5 minuten afstand) en hetAyuntamiento (Gemeentehuis) (10 minuten afstand).

Don Quijote is internationaal erkend als marktleider voor het onderwijs van het Spaans als vreemde taal .

      0000Islas-canariaslogo-kopie-101.jpg 


Tien taalfouten
die Guiris maken in het Spaans

SPANJE - zondag 13 augustus 2017 - Iedereen maakt fouten. Men maakt uiteindelijk allemaal fouten en vergissingen als men een buitenlandse taal leert (tja, men maakt zelfs fouten in de eigen moedertaal!). Deze fouten zijn niet iets om beschaamd over te zijn, want - inderdaad - ze zijn natuurlijk en een plezierige manier om te leren, als men de juiste houding heeft! Wie voor het eerst in  Spanje komt maakt hele series fouten, veelal is dan ieder woord dat uit een buitenlandse mond komt, fout! En het is een lange  weg om te gaan, voordat men een beetje correct Spaans kan spreken.

Guiris maken veel fouten in het Spaans (ga uzelf maar na). Onderstaande lijst is verre van compleet, het is wat in eerste instantie het meeste voorkomt.  Wat voor soort fouten maken guiris…?

cervantes-spanish-mistakes_thumb-1.jpg guiri.png
                    Guiris, stop                                         GUIRIS BEDRIEGEN
                   te spelen                                   Immoreel maar vermakelijk

                   met mijn                                                 De kerk?
                      taal !                      Rechtdoor tot daar... ongeveer drie kilometer

Guiris
1… vervoegen werkwoorden foutief
Dit is de eenvoudigste fout (als een fout al eenvoudig genoemd kan worden) welke men kan maken in het Spaans. Spaans heeft zes vervoegingen en ongeveer een niet te tellen aantal tijden.  Sommige werkwoorden, zoals andar en conducir verwarren iemand nog steeds in de pretérito (verleden tijd) als men snel spreekt en niet nadenkt”!
Pretérito Perfecto
De pretérito Perfecto gebruikt men wanneer de tijd nog niet is afgesloten en, als men geen exacte tijdsaanduiding heeft. Op de dag zelf:  hoy - vandaag; esta tarde -vanmiddag; después de comer - na het eten. Hoy he holgazaneado todo el día - Vandaag heb ik de hele dag geluierd.

2… verwarren vrouwelijk en mannelijk
Woorden in het Spaans kunnen (en doen dat ook) veranderen van betekenis, op basis van geslacht! Er is een verschil tussen:

  • El capital (geld) en la capital (de hoofdstad)
  • El cura (de priester) en la cura (de kuur)
  • El corte (het snijblad, het mes) en la corte (de rechtbank, wettelijk )
  • El papa (de paus) en la papa (aardappel:  potato, in  sommige regio’s in Spanje en in  Latijns America)
  • El tema (het onderwerp) en la tema (de obsessie)
  • El final (het einde) en la final (finale van een kampioenschap in een toernooi).

3... gebruiken regelmatig te veel eigennamen
In het Spaans zeggen kinderen niet: “Ik waste mijn handen”, zij zeggen: “Ik waste zelf mijn handen”.
Spreek niet over: “mi bolso”, spreek over: “el bolso
Zeg niet: “Puse mis pantalones,” zeg: “Me puse los pantalones.”
Het is niet:“¡Abre tus ojos!”; het is: “¡Abre los ojos!”

4… vermengen por en para
Ah, dat levert  hoofdpijn op! Por en para waren de vloek tijdens de schooltijd. Men  dacht dat men het nooit onder controle zou  krijgen!

5… vertalen voorzetsels te letterlijk.
In het Spaans droomt men met iets (sueño con …), niet over iets.
Men denkt in iets  (pienso en…), en niet over iets.
Vertaal voorzetsels niet altijd letterlijk! Want dat kan leiden tot heel vermakelijke zinnen.

6… worden voor de gek gehouden door valse vrienden (valse verwantschappen)
In dit artikel  wordt gesproken  over een aantal veel voorkomende zaken. Maar onthoud, realizar betekent niet "iets doen", in de zin van: "zich volledig bewust worden van iets."

7… denken dat alle woorden die eindigen op -a, vrouwelijk zijn
Dat zijn ze niet. Ga maar na: el día, el mapa, el idioma, el problema, el sofá, el tanga (jawel!).
Evenzo zijn niet alle woorden die eindigen op -o mannelijk : la modelo, la mano, la bici, la foto, la radio.

8…  gebruiken voornaamwoorden als ze niet nodig zijn
We geven slechts een voorbeeld: “Busco para/por un trabajo.” Nee, niet juist.

9… spreken klinkers niet goed uit
Men zal ervaren dat Spanjaarden van buitenlandse accenten genieten door van een ‘o’-klank,  een ou-klank of een lange  ‘oo’-klank te maken.
Dus: “Yo soy americano,” wordt verkeerd (te lang) uitgesproken: “You/yoo soy americanou/americanoo.” Spaanse klinkers zijn kort en heel duidelijk.

10… verwarren ser en estar
Men weet het: dit is een mooie basis. Maar het is een beetje ingewikkelder dan het lijkt! Zo zegt men bijvoorbeeld niet: "¿Dónde es la fiesta?" Men gebruikt ser om te vertellen waar een evenement plaatsvindt : 'El concierto es en el colegio.'
Ser wordt gebruikt bij onveranderlijke zaken: “Soy Holandés’(“Ik ben Nederlander”) , en estar bij zaken die eerst zó waren en die later anders kunnen zijn: “soy carpintero”  (“ik ben timmerman”).
0000AAAAIslas-canariaslogo-201.jpg


Leer met de video-uitleg van
‘De Spaanse Taal Club’,
o.a. de Spaanse tekst begrijpen van
de zomer-hit ‘despacito
 

Gratis Spaanse lessen volgen
door video’s te bekijken van een professionele taalleraar

SPANJE – donderdag 22 juni 2017- Wie kent het swingende en vrolijke lied “despacito” van zanger Luis Fonsi inmiddels niet, het is immers wereldwijd dé zomer-hit van 2017 geworden en ook in Nederland en België is het lied erg bekend.
Het  is uiteraard al leuk, om op het ritme van de muziek te dansen, maar nog leuker als men  de tekst mee kan zingen, en al helemaal stoer als men de tekst ook nog eens begrijpt. De leraar Spaans  van ‘De Spaanse Taal Club’ helpt  een handje met zijn speciale video-les over “despacito”: https://youtu.be/RU3jxczaVUI

Muziek is vaak een handige manier om Spaans te leren. Door de melodieën en herhaling blijven woorden lang hangen. En als men het over pakkende melodieën in het Spaans heeft, is de tekst van ”despacito” een uitstekend voorbeeld…”Een echt ‘verplicht plezier, om Spaans te leren,” zo schrijft de leraar Spaans Gus Shifman op zijn YouTube-kanaal: https://www.youtube.com/channel/UCAOjH6Ip1-mS-lh7tYgl7hQ/videos

8b7f1d74ff165be6a68b2fe51445c61c.jpg

De zinnen in de tekst worden stuk voor stuk uitgelegd waardoor men het lied “despacito” al snel veel leuker zal gaan vinden.

Bekijk dus de onderstaande video en probeer op die manier de tekst van de zomerhit “despacito” te begrijpen, wel zo leuk en handig als men mee wil zingen en dan ook nog begrijpt wat men  feitelijk uit volle borst zingt!
5eb0f53479a79841962b6eb64ba234a8.jpg

Nederlandstalige versie van de Spaanse zomer-hit ‘Despacito’
Eduard - Als Ik Bij Je Ben (Despacito) - officiële videoclip
https://youtu.be/QjIae0Ciy8Y

Engelstalige versie van de Spaanse zomerhit ‘Despacito’
https://youtu.be/0HvXqnGtf_o
https://youtu.be/t9OKlHH6B
wM

taalclub.jpgGratis Spaanse lessen volgen door video’s te bekijken van een professionele taalleraar

Wie wil het nou niet, de Spaanse taal leren en dan ook nog op een relatief makkelijke en snelle manier. Dat kan nu met de  op YouTube geplaatste video lessen op het kanaal van ‘De Spaanse Taal Club’.

index-1.jpg

Op dit videokanaal en op zijn eigen internetpagina plaatst de leraar Spaans Gus Shifman elke woensdag nieuwe video lessen. Hij werkt al jaren in Amsterdam bij www.spaanslerenamsterdam.com en vindt het gewoon leuk, en vooral voor Spanje-geïnteresseerden praktisch,  om gratis video-lessen aan te bieden. Momenteel  zijn er zeven lessen te vinden op het YouTube-kanaal maar er komen meer lessen aan.
18013185_257230561410333_4126475814877265920_n.jpg 
De ‘Spaanse Taal Club’ is een initiatief om mensen te helpen Spaans te leren vanaf het begin .
Er is een YouTube-kanaal van 'De Spaanse Taal Club':
https://www.youtube.com/channel/UCAOjH6Ip1-mS-lh7tYgl7hQ/videos
en een eigen internetpagina: ‘Online Spaans Leren’:
http://www.despaansetaalclub.com/index.php/cursussen/onlineleren
Op de internetpagina  kan men  naast de filmpjes ook veel oefeningen en tests vinden.

Elke woensdag wordt er een nieuwe video geplaatst op het YouTube-kanaal en op de eigen internetpagina. Als men zich  aanmeldt voor het YouTube-kanaal, krijgt men een melding wanneer er een nieuwe video te vinden is.

Op de intenetpagina  wordt weliswaar gesproken van: “de Spaanse taal leren met een Latijns Amerikaans klankje,”maar al met al komt het Spaans in Spanje en het Spaans in Latijns-Amerika min of meer met elkaar overeen.

Naast de gratis video-lessen die op YouTube en op de navolgende  internetpagina te vinden zijn: http://www.despaansetaalclub.com/index.php/cursussen/onlineleren

bestaat ook de mogelijkheid om via Skype-sessies met de leraar privélessen te volgen. Deze lessen zijn een combinatie van een gewoon gesprek met iemand in een bar, en een Spaanse les met uitgebreide tekst en uitleg.

Voor degenen die het Spaans redelijk snel onder de knie willen krijgen, of voor hen die hun Spaanse taalkennis nieuw leven willen inblazen, zijn de video's van ‘De Spaanse Taal Club’ een leuke, persoonlijke en comfortabele mogelijkheid, bekijk bijvoorbeeld:

Spaans Leren Online. Les 18
Bebo MUCHA cerveza, estoy MUY borracho  ¡Muy en Mucho!
https://youtu.be/ckbAeiXX9ho

Spaans Leren Online. Les 19
VIAJARÍA pero debo trabajar - Zouden!
https://youtu.be/5tNcmCvFwSA

Spaans Leren Online. Les 20
MI casa TU casa - Bezittelijk  voornaamwoord
https://youtu.be/m4Bzp8gexm8

Hoe dan ook, wij wensen iedereen: ‘Buen excito’.
ZZZZZZIslas-canariaslogo-kopie-67.jpg


Het Ministerie van Onderwijs contracteert
216 beroepskrachten, begroot op 7,5 miljoen euro

De Canarische Regering verwacht op 5 juli 2017
goedkeuring voor de Wet Buitengewoon  Krediet

CANARISCHE EILANDEN - woensdag 21 juni 2017 - Het Ministerie van  Onderwijs  zal 7,5 miljoen euro uittrekken op de begroting  van de Canarische Regering voor het schooljaar 2017-2018 voor het contracteren van beroepsleerkrachten, zoals o.a. ergotherapeuten, maatschappelijk werkers, taalspecialisten, en assistenten voor leerkrachten in het kleuter- en basisonderwijs

Dit is op maandag 19 juni 2017 na afloop van de Ministerraadsvergadering aangekondigd door de minister van Onderwijs, Soledad Monzón, waarbij zij heeft geïnformeerd over de zeven plannen van de Ley Canaria de Educación no Universitaria (Canarische Niet-Universitaire Onderwijswet) welke men zal ontwikkelen dankzij de Ley de Crédito Extraordinario  (Wet Buitengewoon  Krediet) die - als deze eenmaal is goedgekeurd - het mogelijk zal maken dat het Parlement vervolgens  de 2017-begroting van de Deelstaat kan verhogen tot 340 miljoen euro.
rp-consejo004.jpg            
Rosa Dávila  en Soledad Monzón tijdens de persconferentie na afloop van de Ministerraad.
Op onderwijsvlak veronderstelt deze goedkeuring te kunnen rekenen op buitengewone hulpmiddelen met voldoende fondsen voor het verder in gang zetten van de plannen in de genoemde  Ley Canaria de Educación no Universitaria (Canarische Niet-Universitaire Onderwijswet), die zal beschikken over 48 miljoen euro, waarvan 12 miljoen euro bestemd zijn voor het Artikel 1 van het hoofdstuk  Personeel.
Fotolia-Educacion.jpg

Concreet zal men de 7,5 miljoen euro welke het Onderwijsdepartement  zal ontvangen, bestemmen voor nieuwe contracten voor gespecialiseerd personeel en  de rest van het bedrag zal zowel de gebruikelijke onderwijsinstellingen dekken, evenals de 160 arbeidsplaatsen voor leraren die - in het kader van het plan ter bevordering van de kennis van  buitenlandse talen -  drie maanden zullen verblijven in Engelssprekende landen.

Urgentie
De minister van Financiën, Rosa Dávila Mamely, heeft aangekondigd dat de Ley de Crédito Extraordinario (Wet Buitengewoon Krediet) mogelijk zal zijn in de komende weken. Deze week - de derde volle week van juni 2017 - zal men de behandeling afsluiten van de Presupuestos Generales del Estado (Rijksbegroting ) voor 2017. Alles lijkt erop te wijzen, dat het proces in de  Senado (Senaat - Eerste Kamer) toe zal staan, dat de rekeningen niet terug hoeven naar het Congreso de Los Diputados (Congres van Afgevaardigden - Twee Kamer) en men, aldus, deze week het groene licht kan geven aan de begrotingen.

Dit zal het mogelijk maken, dat de Deelstaatregering 340 miljoen euro beschikbaar kan  stellen welke post zal worden opgenomen in de Deelstaatbegroting voor het financieren van de  essentiële overheidsdiensten: Gezondheidszorg,  Onderwijs en Sociale Dient. Daartoe volgt de Regering een spoedprocedure.

In dit verband, schrijft men een Buitengewone Ministerraadsvergadering uit die waarschijnlijk zal plaatsvinden op 5 juli 2017 voor het indienen van het akkoord  van de overeenkomst bij de Raad van Advies. Dávila verwacht dat in de tweede week van juli 2017 het wetsvoorstel goedgekeurd zal zijn en naar het Parlement gestuurd kan worden, waarbij men zal vragen  dat men de maatregelen zal opnemen uit de zeven plannen voor het Onderwijs, “als vrucht van de diagnose en de dialoog met de onderwijsgemeenschap,” en dat wat men in het schooljaar 2017/2018 zal doen ,“het meest ambitieuze is van de laatste jaren,” zo verzekert Soledad Monzón, die uitlegt dat de plannen welke men geleidelijk invoert tot aan het jaar 2020 ruim 200 miljoen euro kosten.
Educacion-Gobierno-Canarias-Soledad-Monzon_EDIIMA20160301_0601_4.jpg

Nieuwe cijfers
Het aan het Onderwijs toegekende bedrag van bijna vijftig miljoen euro zal het mogelijk maken de inlijving van cijfers naar voren te halen  in het onderwijssysteem, zoals voor 36 sociale onderwijzers, wat het mogelijk zal maken beter aandacht te geven aan de leerlingen met moeilijkheden, dankzij een  betere coördinatie met gezinnen, lokale overheden, verenigingen, en andere externe vertegenwoordigers van de onderwijscentra.

Bovendien zal men  de ploeg voor psycho-pedagogische begeleiding, versterken met 37 beroepskrachten, voor het stroomlijnen van de diagnoses, en zal men 100 docenten als steun aan de leraren toevoegen in de laatste twee niveaus van het kleuter- en basisonderwijs, Het doel daarvan is, deze gespecialiseerde steun te versterken die nodig kan zijn voor leerlingen, voor de tijdige ontdekking van deze moeilijkheden, en vooral voor de versterking van de taal- en rekenvaardigheden.

Voor de elf speciale openbare onderwijscentra, waar men lesgeeft aan leerlingen met meer ernstige kenmerken van ziekte, introduceert men de figuur van de ergotherapeut (hulpverleners), met de plannen dertien van deze beroepskrachten aan te nemen. Aan hen zal men meer dan 30 taalspecialisten toevoegen.
d6pmi7lwwqd30z471k3bxenosk20rvcn1485958997062-medium.jpg

comunidad-a-la-educacion.jpg
In de ontwikkeling van het Plan de Igualdad y contra la Violencia de Género (Gelijkheidsplan en tegen Huiselijk Geweld) zal het bedrag van de Ley de Crédito Extraordinario (Wet Buitengewoon Krediet)  aangewend worden voor het mogelijk maken van het vrijmaken van  een weekschema in de lestijden van de onderwijscentra en tien uur voor elk onderwijscentrum, die gewijd zijn aan de ontwikkelingen en het uitvoeren van het plan.

In andere aspecten, faciliteert de Ley de Crédito Extraordinario (Wet Buitengewoon Krediet) de invoering van tweetaligheid op Canarias, door het mogelijk maken van het aanbieden aan onderwijzers van vormingscursussen in het buitenland gedurende een schooltrimester, wat niet alleen de financiering veronderstelt te zijn van de cursussen, maar van de onderwijzersvervangingen in de schoolklassen.

Eveneens valt onder de op maandag  19 juni 2017 aan de Ministerraad gepresenteerde zeven plannen, de bijdrage van ruim zeven miljoen euro op van de Ley de Crédito Extraordinario (Wet Buitengewoon Krediet) voor steun aan het Plan de Modernización Tecnológica (Technologische Moderniseringsplan).
ZZZZZZIslas-canariaslogo-kopie-59.jpg


Canarias zal in acht jaar tijd 80 miljoen euro gaan investeren om tweetalig te zijn

Het programma start in de het komende schooljaar
bij de kinderopvang,
voor de helft van de proefpersonen in de onderwijscentra die hier vrijwillig aan deelnemen

en daar van willen profiteren

Rekenen, taal, religie en, maatschappijleer,  
blijven buiten het tweetalige onderwijs

Canarische docenten krijgen
gratis opleiding, verblijf in het buitenland, en salaristoeslagen,
voor het bereiken van het toepassen van het nieuwe programma

CANARISCHE EILANDEN - zondag 26 maart 2017 - De Canarische Regering start in  het komende schooljaar in het kleuteronderwijs met een plan voor tweetaligheid; een ambitieus project, wat voorheeft  dat de eerste generatie kinderen in het kleuteronderwijs en in het basisonderwijs perfect Engels spreekt in 2026; en dat in 2032 op alle kleuterscholen en basis-scholen in 40 tot 50% van de kernvakken les gegeven wordt in deze taal.

De president van de Canarische Regering, Fernando Clavijo, heeft het plan gepresenteerd tijdens het Debate sobre el Estado de la Nacionalidad; de Algemene Beschouwingen, die hebben plaatsgevonden in de derde volle week van maart 2017 en het doel ervan is, dat de Archipel de Deelstaat zal zijn waar men, “van de hele Staat meer en beter Engels spreekt,” vooral als men er rekening mee houdt dat de eerste bron van welvaart van de Deelstaat de handel in het toerisme is.
canarias-invertira-1.jpgDaartoe moeten er meer financiële en personele hulpmiddelen worden geïnjecteerd, voor het inhuren van docenten van wie men verlangt dat die in hun opleiding in het Engels zijn gecertificeerd; moeten er verblijven in het buitenland worden  geregeld voor leraren in opleiding; moet men  in  het  buitenland geboren docenten inlijven als assistent in de klas bij de conversatielessen die gegeven worden door lokale docenten.
1-2-1.jpgDe totale kosten in acht jaar - wanneer de eerste tweetalige bevordering van het programma in het komende schooljaar (2017-2018)  begint, zullen geleidelijk aan ongeveer 80 miljoen euro gaan bedragen, zes miljoen euro in 2018, zeven miljoen in 2019, zeven miljoen in 2020, en zo geleidelijk stijgen tot 14 miljoen euro in het schooljaar 2024-2025.

“Canarias zal een tweetalige Archipel zijn,” oordeelt Clavijo. Het niveau van talenkennis is een historisch tekort, niet alleen op de Eilanden, maar in geheel Spanje.
Momenteel bestaat er al een Plan de Impulso al Aprendizaje de las Lenguas Extranjeras (PILE) (Plan voor het Bevorderen van het Leren van Buitenlandse Talen), dat in 2016 is gestart en waarmee men voorheeft de bases te vestigen, opdat het taalonderwijs de relevante bekwaamheid verkrijgt in de scholen.

Het voorafgaande
Dit project, waarmee men begint in 14 lagere scholen, is het voorafgaande van het programma dat men nu begint in het kleuteronderwijs, met kinderen van drie jaar.
Het plan voor tweetaligheid voorziet, in een eerste fase, in de inlijving van meer conversatie-assistenten in de kleuterklassen van de kleuterscholen die vrijwillig besluiten onderdeel te worden van dit initiatief, parallel aan de opleiding van docenten aan wie men cursussen methodologie en taalkundige perfectie aanbiedt, zowel op Canarias als in andere landen.

Dit alles zal men bereiken met uitwisseling van docenten uit ander landen, wat het mogelijk zal maken dat Canarische onderwijzers verbeteren in het beheersen van ander talen.

Het project is,daarom, voor 100% vrijwillig. Uitsluitend onderwijscentra die vrijwillig besluiten, daartoe over te gaan, zullen deel uit gaan maken van het programma voor tweetaligheid.

De school die ervoor kiest om les te geven in twee talen moet vooraf de meerderheid krijgen van het schoolbestuur. Zo wordt bereikt dat de gehele onderwijsgemeenschap wordt betrokken bij de uitvoering van het programma, aldus de minister van Onderwijs, Soledad Monzón.

Het is een plan, dat bovendien,een overdrachtelijk werk in zich heeft, omdat de docenten die  natuurwetenschappelijke en sociale vakken onderwijzen  in het Engels, zich niet alleen zullen  beperken tot de vorming van deze onderwerpen in die taal

Het korps conversatie-assistenten voor de leerlingen zal gaan bestaan uit inheemse personen. Tegelijkertijd is men begonnen te werken aan de lerarenopleidingen van de twee openbare Universiteiten van de Archipel zodat de nieuwe leraren  hun opleiding minimaal afsluiten op het niveau B2.

Zo wil men op de middellange termijn de geleidelijke introductie versterken van tweetalige docenten, via de operationele programma’s waarin de docenten drie tot zes maanden verblijven in een Engelstalig land, of met de uitwisseling van docenten met landen waarin het Engels de hoofdtaal is, want de onmisbare vereiste om deel te nemen aan dit plan is het goed spreken van deze taal, bij voorkeur met een certificaat C1, of B2 van het mondelinge examen.

De docenten die momenteel in opleiding zijn en die geen Engels willen leren, zullen daarvan geen gevolgen ondervinden, en zij die dat wel doen, ontvangen lonende aanmoedigingen.

Het plan wordt vergezeld door andere maatregelen. Daaronder heeft men, via de officiële talenscholen, het beste aanbod tot nu toe mogelijk gemaakt, met honderd gespecialiseerde cursussen. Daarvan zij er 55 bestemd voor docenten, met twee verschillend opleidingslijnen: cursussen communicatieve vaardigheden voor docenten, en voorbereidende cursussen voor het behalen van de certificerings-testen (B1 en B2).

De cursussen die bestemd zijn voor de docenten, waarvan het aanbod 2.000 plaatsen is, hebben als doel de bevoegdheden te actualiseren en de certificering te verstrekken in het gebruik van het Engels, het Frans, en het Duits voor de leraren.

Erkenning  voor docenten die zes jaar in dienst zijn
De Canarische Regering is bereid tot erkenning van de sexenios (mensen met een zesjarig dienstverband) in het onderwijs, met een salarisverhoging bij het volmaken van een zesjarig dienstverband. Het is een eis van de vakbonden in het kader van de verbetering van de opleiding, de Regering studeert erop dat dit een van de initiatieven zal zijn voor docenten die vrijwillig deelnemen aan het plan voor de tweetaligheid. Het salaris van de Canarische docenten is gelijk aan dat van het landelijke gemiddelde, maar ondertussen erkent men in andere Deelstaten de sexenios maar Canarias niet. Vandaar de eis van de vakbonden.
ZZZIslas-canariaslogo-725.jpg


Nieuw woordenboek op het Internet
met Spaanse woorden voor diegenen die moeilijkheden hebben met de taal

SPANJE - woensdag 7 maart 2017 -  Er is een nieuw woordenboek met gemakkelijke omschrijvingen uitgebracht op internet:; diccionariofacil.org, is speciaal opgezet voor diegenen die niet precies weten wat bepaalde Spaanse woorden inhouden, waarbij deze uitgelegd worden op een makkelijke manier. Het gaat om een woordenboek met Spaanse woorden en Spaanse uitleg en is dus bedacht voor Spanjaarden die moeilijkheden hebben met hun eigen taal maar kan dus ook door buitenlanders die het Spaans nog beter willen begrijpen geraadpleegd worden.

Het woordenboek diccionariofacil.org (http://www.diccionariofacil.org), is opgezet voor degenen met moeilijkheden in het begrijpen van de Spaanse taal en met name voor woorden die wat moeilijker zijn.
taal.jpg
                                       http://www.diccionariofacil.org
Het kan dus van nut zijn voor iedereen die problemen heeft met de eigen taal. De doelstelling is om woorden op een makkelijke manier te presenteren. met beter te begrijpen omschrijvingen, voorbeelden, en zelfs afbeeldingenVolgens de initiatiefnemers telt Spanje 256.000 inwoners met verstandelijke- of ontwikkelingsstoornissen, zijn er 7,7 miljoen ouderen die moeilijkheden kunnen hebben met de Spaanse taa;l en heeft 25% van de Spaanse bevolking met een lage leesvaardigheid te maken. Speciaal voor deze mensen heeft men dit woordenboek op het Internet bedacht.

Weliswaar is het woordenboek opgezet voor Spanjaarden die moeilijkheden hebben met hun eigen taal , maar dat sluit niet uit dat buitenlanders die de Spaanse taal al beheersen maar moeilijkheden hebben met bepaalde woorden, op een makkelijke manier meer tekst en uitleg kunnen krijgen via: www.diccionariofacil.orgv
ZZZIslas-canariaslogo-647.jpg


The British School, 50 jaar in de voorhoede
van het onderwijs op Gran Canaria

De instelling heeft een school in Maspalomas die Brits onderwijs aanbiedt van hoge kwaliteit aan kinderen in de leeftijd van 3 tot 11 jaar

GRAN CANARIA – zondag 22 januari 2017 - In 2017 bestaat de onderwijsinstelling The British School of Gran Canaria 50 jaar in de voorhoede van het onderwijs, met een inzet sinds 1966 voor kwaliteit in het kader van een exclusieve Engelstalige omgeving

Een halve eeuw trouw aan de Britse onderwijsmethode die is ingezet door de oprichters, welke een grote kwaliteit belicht en het uitzonderlijke niveau van het Engels van haar leerlingen.

logo-6.jpg

img_37467.jpg
                                                               VIDEO
                                                          in het Spaans:
                                         https://youtu.be/GkfmVL-trJM
about-us.jpg
 
                  Julian M. Clark, directeur van de The British School op Gran Canaria
De British School kenmerkt zich door het aanbieden van een stimulerend, gevarieerd en uitdagend onderwijs, dat leerlingen voorbereidt op het zijn van burgers die klaar zijn voor de toekomst.
De taak van de leerkrachten is het identificeren en ontwikkelen van het unieke potentieel van elke leerling, hen uit te rusten met vaardigheden, kennis en waarden die voldoen aan de eisen van een veranderende wereld, zo legt de schooldirecteur, Julian Clark, uit.

Hoewel de meeste gezinnen van de leerlingen van de school het Spaans als eerste taal hebben, maken de ondersteuningsstructuur, het systematische onderwijs, en de hoge verwachtingen, het mogelijk dat hun leerlingen evolueren en vertrouwen krijgen in de uitspraak en vloeiend gebruik van Engels, dat de voertaal is in de dagelijkse omgang.

90% van de lessen wordt uitsluitend in het Engels gegeven, wat de vaardigheden die nodig zijn voor het lezen, schrijven, spreken en luisteren ontwikkelt.

De leerlingen van de  British School bereiden zich voor op de examens van IGCSE en A-Levels. (Inernatiinal  General Certificate of Secondary Education - eindexamen .)Deze examens worden afgelegd door wereldwijd alle leerlingen die Engels als moedertaal kunnen aangeven in hun opleiding.

In de British School vertrouwt men erop, dat het effectieve model voor efficiënt onderwijs, het verkrijgen is van onderwijs via actieve leerervaringen, gebaseerd op onderzoek dat is gerelateerd aan het werkelijke leven. Zo heeft men  voor de leerlingen een schoolwerkplan  opgesteld met onderwijsmethoden voor de verschillende facetten van de sociale verantwoordelijkheid waarin zij zich willen ontwikkelen.
front-1.jpgHet onderwijscentrum kan rekenen op nieuwe voorzieningen die men aanpast aan het onderwijzen en leren in de 21ste Eeuw. Sinds 1966 zijn de voorzieningen toegenomen en heeft men voldoende ruimte ontwikkeld om plaats te bieden aan de diverse onderdelen  van de opleiding.

Eveneens kan men rekenen op talrijke gebieden voor het individueel werken, of in kleine groepen, op grotere klaslokalen, en op informatica-verbindingen in het gehele schoolgebouw via een volledig geïntegreerd netwerk.

The British School legt tevens grote nadruk op het belang van  de verscheidenheid aan buitenschoolse activiteiten die aan de leerlingen van de school worden verstrekt.

De school heeft twee centra, een in Las Palmas de Gran Canaria (Tafira) en het tweede in het Zuiden (Maspalomas), die een hoge kwaliteit Britse onderwijs bieden aan kinderen in de leeftijd van 3 tot 11 jaar. Aan het einde van deze fase, zetten de leerlingen hun opleiding voort in het centrum van Tafira, waar ze hun studie afronden.

De leerkrachten nemen deel aan onderwijstrainingen en regelmatig zijn er uitwisselingen tussen leraren die het mogelijk maken ervaringen te delen en indrukken op te doen.

Enerzijds. zijn, de studenten tevreden, goed opgeleid en toegepast; anderzijds steunt de onderwijsgemeenschap actief en stimuleert de leerlingen  om deel te nemen op alle terreinen van het leven op school, met het oog op het verkrijgen van jonge mensen die verantwoordelijk zijn, zelfverzekerd, en voorbereid op het universitaire podium.

Voor meer informatie kan men terecht op de internetpagina van de onderwijsinstelling:
http://www.bs-gc.com/es
zzzslas-canariaslogo-kopie-9.jpg


El leguaje del abanico, de taal van de waaier

Spanje - zondag 16 oktober 2016 - Men ziet ze vooral in de zomer wanneer het erg warm is en een beetje verkoeling wel lekker is. Het zijn daarnaast zeer gewilde Spaanse souvenirs die veel gekocht worden tijdens een vakantie en in Spanje soms gebruikt worden maar eenmaal thuis in de lade verdwijnen. We hebben het hier over de typische waaier: abanico in het Spaans; maar wist u, dat die simpele waaier een geheime taal heeft?

Waaiers of abanicos worden veel gebruikt door (meestal oudere) dames in Spanje die het in de zomer warm hebben en met enkele handbewegingen een aangename verkoeling creëren. Daarnaast wordt de waaier in Spanje nog steeds veel gebruikt bij het flamenco dansen en is de abanico een vaak onmisbaar modeaccessoire, vooral in het zuiden van Spanje.
waaieres.png                                                                       VIDEO: 
                                                 ttps://youtu.be/ZYxymc7iOvQ
Vroeger echter werd de abanico (waaier) ook als communicatiemiddel gebruikt waarmee welgestelde vrouwen met enkele bewegingen discrete boodschappen probeerden over te brengen naar hun geliefden. De simpele bewegingen met de waaier waren meestal genoeg om op afstand geheime gesprekken te voeren, of om liefdesboodschappen over te brengen naar personen die leuk genoeg waren en de bewegingen in die tijden begrepen.

Tegenwoordig gebruikt men WhatsApp, Facebook of als men iets verder wil gaan Tinder om boodschappen over te brengen; maar de waaier kan eigenlijk als voorloper van de moderne mobiele apps worden gezien.

De geheime taal van de bewegingen
Hieronder enkele (maar lang niet alle) uitdrukkingen, wat er gezegd kan worden en hoe men dat moet doen met de abanico (waaier):

  • JA = de gesloten waaier tegen de rechterwang houden.
  • NEE = de gesloten waaier tegen de linkerwang houden.
  • KUS ME = de lippen aanraken met een halfopen waaier.
  • HOU JE VAN ME = de gesloten waaier met twee handen aanbieden.
  • IK HOU VAN JE = de waaier met de rechterhand naar het hart brengen en daar laten rusten.
  • IK HAAT JE = de waaier met de rechterhand door de linkerhand halen.
  • JE BENT GEMEEN = de waaier diverse keren na elkaar openen en sluiten.
  • VERGEEF ME = de handen samenhouden en met beid tegelijk een open waaier vasthouden
  • IK BEN VERLOOFD = snel wapperen met de waaier.
  • IK BEN GETROUWD = traag wapperen met de waaier.
  • IK WIL MET JE TROUWEN = een volledig open waaier zachtjes sluiten.
  • VERGEET ME NIET = de waaier geopend achter het hoofd plaatsen.
  • IK BEN GEINTERESSERD IN JOU = de waaier met de linkerhand openhouden voor de onderkant van het gezicht.
  • VERTEL ONS GEHEIMPJE NIET VERDER = met de rechterhand een gesloten waaier over het linkeroor houden.
  • WACHT OP MIJ = de waaier volledig openen.

Er zijn nog veel meer mogelijkheden, maar we laten het hier voorlopig even bij.

Geschiedenis in het kort. Velen menen dat de waaier van oorsprong uit Spanje komt, maar dat is niet zo. Waaiers bestaan al duizenden jaren en de oudste archeologische vondsten zijn gedaan in Egypte, India en China. Pas rond de 4e eeuw voor Christus worden de eerste exemplaren gezien in Europa maar dan wel in het oude Griekenland. Door de kruistochten komen de waaiers uiteindelijk ook in Spanje terecht.

Pas in de 17e eeuw worden opvouwbare waaiers veelvuldig gebruikt door vooral personen in hooggeplaatste kringen. In principe is de waaier bedoeld omverkoeling te geven en vliegen weg te wuiven maar die functies verdwijnen snel als de waaier een modeaccessoire wordt in Europa. In de 18e eeuw is de waaier zelfs een statussymbool en worden waaiers door gespecialiseerde artiesten gemaakt waarna het ware kunstwerken worden en veel geld waard zijn.

Dus als u een waaier ziet liggen ergens in Spanje (of misschien wel in uw eigen lade thuis), bedenk dan, dat u met de abanico meer kunt doen dan alleen maar waaien voor verkoeling. Men kan er dus ook mee communiceren, probeer het maar eens, maar dan wel eerst iemand zoeken die het begrijpt, uiteraard.
zzzislas-canariaslogo-465.jpg


Tien interessante Catalaanse uitdrukkingen
en twee Canarische

CATALONIË /CANARIAS- zondag 11 september 2016 - Op 11 september is het La Diada; de Catalaanse feestdag, waarop de gehele Catalaanse Deelstaat en de meeste van de Catalanen trots zijn op: Catalonië. We mengen ons hier niet in de politieke discussie over wel, of niet afscheiden van Spanje; maar we richten onze aandacht op enkele Catalaanse uitdrukkingen die interessant zijn om te leren en, die u wellicht wel eens gehoord heeft op straat in Catalonië

Hieronder een klein lijstje van tien interessante Catalaanse uitdrukkingen die de Catalanen veel gebruiken en die u wellicht wel eens gehoord heeft tijdens een bezoek aan la Comunidad Autónoma Cataluña (de Deelstaat Catalonië); zoals in Barcelona, aan de Costa Brava (Ruige Kust), of aan de Costa Dorada (Gouden Kust). Zoals bekend, is het catalan (Catalaans) een geheel eigen (Romaanse) taal en lijkt vaak in het geheel niet op español, of castellano (het Spaans, of Castiliaans ) en veel van onderstaande uitdrukkingen hebben ook geen Spaanse versie.
catalaans1a.jpg

DÉU N’HI DO! - Deze uitdrukking heeft eigenlijk geen letterlijke vertaling maar kan het beste omschreven worden als “Wauw”, of “Geweldig”… en dat in een goede en slechte betekenis.

FOTEM UN CAFÉ? - Letterlijk betekent deze uitdrukking ‘Koffie neuken’, ofwel: ‘laten we de liefde bedrijven met koffie”; uiteraard een erg vreemde uitleg, maar welke eigenlijk gebruik wordt als men koffie met iemand wil gaan drinken en men daar echt heel veel zin in heeft.

S’HA AVABAT EL BROQUIL - Letterlijk betekent dit: “er is geen broccoli meer over” maar de Catalanen gebruiken deze uitdrukking als ze willen aangeven dat het einde verhaal is voor iemand die iets verkeerds gedaan heeft; of dat men wil, dat iemand ophoudt met iets te doen.

SALUT I FORÇA AL CANUT! - Een van de uitdrukkingen die erg bekend is wanneer men vaker in Catalonië komt , of daar woont en een toast wilt uitbrengen. Het betekent “goede gezondheid en sterkte voor je portemonnee” maar letterlijk betekent het: “goede gezondheid en sterkte met je ballen”. Korte uitleg: een Canut was een portemonnee gemaakt van het scrotum van een stier, vandaar dus de verbinding ‘ballen’ en ‘portemonnee’. De uitleg zorgt voor veel hilariteit.

HE BEGUT OLI - Letterlijk betekent deze uitdrukking :“ik heb olie gedronken” ;maar eigenlijk wil men met deze uitdrukking zeggen: “ik heb gefaald”; en wordt vooral gebruikt, wanneer een Catalaan bij een overheidsinstantie faalt bij het invullen van officiële papieren.

FER-NE CINC CÈNTIMS - Letterlijk betekent dit “maak er vijf cent van”; maar eigenlijk betekent deze uitdrukking: “geef me de korte versie”; van bijvoorbeeld , een verhaal. Wordt veel gebruikt als men graag een korte versie van een verhaal wil horen omdat men niet de tijd of het geduld heeft om het lange verhaal aan te horen.

ANEU A ESCAMPAR LA BOIRA - Letterlijk betekent deze zin: “ga weg en ontsnap aan de mist; maar eigenlijk betekent deze uitdrukking: “rot op en laat me met rust” ; en wordt dus ook gebruikt om op een brute wijze aan te geven, dat men geen zin meer heeft in iemands gezelschap.

FER PASSAR BOU PER BÈSTIA GROSSA - Letterlijke betekenis: “oud vlees aanbieden als eersteklas vlees”; maar eigenlijk gebruikt wordt om aan te geven, dat iets er beter uitziet, of beter is dan het eigenlijk is. Wordt veel gebruikt om slecht vakwerk te verdoezelen , of snel en slecht geleverd werk te omschrijven; en zelfs om aan te geven: dat Facebook-foto’s er niet uitzien.

QATRE GATS - Letterlijk betekent dit: “vier katten”; maar eigenlijk geeft men met deze uitdrukking aan, dat er slechts een paar mensen zijn. Wordt veel gebruikt om aan te geven dat het bij een evenement of feest niet echt druk is. Overigens ook te gebruiken in het Spaans: “solo hay quatro gatos”.

SENY - Letterlijke betekenis: “gezond verstand”; maar in het Catalaans gebruikt, om de Catalaanse nuchterheid aan te geven. Het tegenovergestelde is RAUXA; wat zoveel betekent als “verlatenheid”, of “uitbarsting”; en om aan te geven, dat iets saai is.
images1FL0UJRJ.jpgkeep-calm-and-vete-a-freir-esparragos.png
maxresdefault-40.jpgimages1USGZ2TV.jpgdiccionariocanario.jpg

En als trouwe lezer vanGran Canaria actueel’, bent u uiteraard nieuwsgierig naar die twee aangekondigde typisch Canarische uitdrukkingen:

“……, ¡mi niño!”, of “……, ¡mi niña!”
De eerste uitdrukking is het gebruik van: “mi niño”, of “mi niña” aan het eind van een zin, als men in een bepaalde situatie vriendelijkheid, genegenheid en/of respect wil uitdrukken. Dat kan zijn tegenover een kind, tiener, volwassene, en zelfs een ouder iemand.
Traduccin20simultnea20en20familia.jpgVoorbeelden:
Bij een begroeting zegt men spontaan:“¡hola mi niña!” tegen een vrouw, of meisje, of: “¡hola mi niño!” tegen een man of jongen. Dit kan men op Canarias ook gebruiken om spontaan respect te betonen aan oudere personen, zo kan men, bijvoorbeeld, tegen een Canarische vrouw/man van 80 jaar, respectievelijk, gerust de uitdrukking bezigen: “¡que bonita mi niña/mi nino!” (“Wat mooi, meisje/jongetje!”).

En dat wordt dan, zoals gezegd op Canarias, als uiterst sympathiek/complimenteus ervaren door de aangesprokene; terwijl dit “mi niño”/ “mi niña” aan het eind van een zin, in andere delen van de wereld, en op het Península (Schiereiland = het vasteland van Spanje) zelf, door volwassenen en ouderen als minachtend wordt beschouwd, terwijl dit door de aanspreker helemaal niet denigrerend bedoeld is, maar daarentegen juist als complimenteus/liefhebbend/respectvol.

…sí Díos quiere y la burra no se muerre
Een typisch Canarisch afscheid aan het einde van een bezoek is: “!Hasta luego…”, met al dan niet “nos veremos…, en: “sí Díos quiere y la burra no se muerre.”

Als men als buitenlander - in de toepasselijke situatie - dit afscheid bezigt tegen een Canario/Canaria, dan krijgt men een volle glimlach en laat men blijken u als een, goed op de Canarische Archipel ingeburgerde, geïntegreerde buitenlander te zien; en zeker niet, als een guiri (een buitenlander in Spanje die geen Spaans spreekt).

Dit gezegde: “We zien elkaar weer…, ofwel: “tot ziens, als God het wil en de ezelin niet sterft,” stamt uit de tijd - overigens relatief nog niet zo heel lang geleden - dat er nagenoeg geen verharde wegen op het eiland waren - niet anders dan bergpaden, of zelfs die niet - en men een, of hooguit twee keer per jaar bij familie, of vrienden aan de ander kant van de berg - per ezel/ezelin - op bezoek ging. Dat was nog zo tot 1920 in bijvoorbeeld Agaete, waar men boodschappen per (vissers)boot ging doen op het buureiland Tenerife, in Santa Cruz; omdat er geen weg was tussen het vissersdorp en Las Palmas de Gran Canaria; niet anders,  dan een ezel-pad (de eerste verharde weg vanuit Agaete naar de hoofdstad van Gran Canaria is pas in 1920 aangelegd).
igi.pnggo90g.png
gukiuk.jpgUiteraard zijn er in het Dialecto Canario, ofwel de wijze van spreken op de Canarische Eilanden, vele meer typisch Canarische woorden en uitdrukkingen; maar de twee bovenstaande gezegden vinden wij in de praktijk van alledag het meest sympathiek; zeker, als die ook gebruikt worden door buitenlanders, of die nu wel, of niet resident zijn op Canarias.
zzzislas-canariaslogo-300.jpg


Waarom Spaans leren in Spanje, leuk en leerzaam is

SPANJE - zondag 11 september 2016 - Misschien komt men al jaren in Spanje als toerist en kan men zich al redden in de bar, of in het restaurant; maar wat, als kennis van het Spaans iets verder zou moeten gaan, om zo Spanje in het Spaans te ontdekken.

Er zijn meer dan genoeg redenen te vinden, om Spaans te leren en er zijn kort samengevat drie manieren: - op school, - via een cursus in eigen land, online via internet - Spaans leren in Spanje zelf. Over deze laatste mogelijkheid gaan we het hier hebben en over hoe de cultuur van Spanje te combineren is met Spaans leren in Spanje zelf.
Spaansleren.jpgWat is er nu makkelijker dan op school in Spanje leren hoe men een kop koffie bestelt en dan op het terras meteen een “café con leche” kan bestellen in het Spaans. Dat moment en die Spaanse woorden, zullen voor altijd in het geheugen vastzitten; terwijl het leren in Nederland of België ,van in het Spaans koffie bestellen - en dan daarmee wachten tot de volgende vakantie - veel minder leerzaam zal zijn. Er zijn talloze mogelijkheden en plaatsen in Spanje, of in Latijns-Amerika om Spaans te (gaan) leren; het hangt helemaal af van het budget en daarnaast, welke cultuur men wil leren kennen, de Spaanse cultuur en het leven in Spanje, of de Latijns-Amerikaanse (c.q. Canarische) cultuur.

Waarom Spaans leren? Wil men Spanje in het Spaans leren kennen, dan kan dat alleen als men een lekker woordje Spaans spreekt, leest en begrijpt. De Spanjaarden staan erom bekend, dat ze niet bepaald de Europeanen zijn die Engels spreken en al helemaal geen, of slecht een andere taal. Daarnaast is het Spaans wereldwijd een van de meest gesproken talen ter wereld (afgezien van het Mandarijn, dat hoofdzakelijk in China gesproken wordt). Spaans is de officiële taal in 21 landen aan beide kanten van de Atlantische Oceaan en volgens de laatste schattingen zijn er ruim 450 miljoen bewoners op deze aarde die Spaanssprekend zijn.

Daarnaast is het spreken en begrijpen van de Spaanse taal essentieel als men in Spanje wil gaan wonen om er een leven op te bouwen. Uiteraard kan men kiezen voor een regio van Spanje, of toeristische plaats in Spanje waar voornamelijk Nederlanders/Belgen wonen en waar men geen moeite hoeft te doen, om Spaans te spreken, maar zo leert men uiteraard niet wezenlijk de cultuur van Spanje en de Spanjaarden zelf kennen. Is het niet zo, dat men als buitenlander geïntegreerd moet zijn in het land waar men gaat wonen? Dan geldt dit feitelijk ook voor Nederlanders en Belgen die in Spanje gaan wonen!
zzzislas-canariaslogo-297.jpg


De 20 meest voorkomende spelfouten
bij netwerken in het Spaans

SPANJE - dinsdag 23 augustus 2016 - De 20 meest gemeenschappelijke spelfouten op de sociale netwerken zijn door bedrijf Rubio, uitgeverij van de bekende didactische notitieboekjes, gepubliceerd op een lijst, zoals :
- de afwezigheid van accenttekens
- de verwarring tussen ‘a ver’ en ‘haber’;
- de letter ‘k’ gebruiken in plaats van de samenstelling ’que’;
- de interpunctie/leestekens negeren,
 - de letter ’h’ vergeten;
- het gebruik van HOOFDLETTERS:
- het hele werkwoord gebruiken bij het spreken in gebiedende wijs:

De uitgeverij noemt ‘snelheid’ en ‘gretigheid’ als eerste fouten bij het publiceren van een tuit (tweet), of een entrada (bijdrage) op Facebook en moedigt het lezen van lectuur aan als, “de beste manier, om te voorkomen dat men de basisregels van de spelling overtreedt.”
twitter.jpg
                               Correct schrijven verbetert de digitale reputatie.
Ook beveelt men aan, de tijd te nemen om te controleren wat men schrijft op de netwerken en aldus, “een goede indruk achter te laten,” zo merkt men op in een persbericht.

De eerste van de 20 meest gebruikelijke fouten, aldus Rubio, is de afwezigheid van de accettekens , die de gebruikers vergeten toe te voegen, “vanwege gemak, en snelheid,” maar waarvan de aanwezigheid de betekenis van een zin kan bepalen.

In dezelfde lijn, lijkt men de accenttekens te vergeten op de uitroepende en de vragende voornaamwoorden, en schrijft men: "¿cual ha sido el proyecto ganador?" in plaats van: "¿cuál ha sido el proyecto ganador?".

Op de tweede plaats zet de uitgeverij de verwarring tussen "a ver" en "haber"; een klassieker in gelijksoortige woorden, welke men op dezelfde wijze uitspreekt maar op verschillende wijze schrijft, zo legt men uit.

In de derde paats waraschuwt het bedrijf, dat op de sociale netwerken, “we volledig de interpunctie vergeten; bijvoorbeeld in klaarblijkelijk eindeloze zinnen, welke men perfect in meer dan twee kan verdelen.”

Anderszijds, bij het schrijven van interpunctie, “doen we dat op een foute wijze,” bijvoorbeeld door meer spaties te laten dan nodig is bij de woorden die deze flankeren; en vice versa, punten en komma’s te verwarren.

Evenzo geeft men vanuit Rubio aan, dat het bij de letter ‘h’ gaat om, “een andere grote vergetene,” zo merkt men op, dat de correcte wijze is: "echar de menos" en niet: "hechar de menos".

Rubio beveelt het gebruik van HOOFDLETTERS uitsluitend aan als men het bericht wil benadrukken, en daarentegen moet bedenken, dat eigennamen en het begin van de zin altijd beginnen met een hoofdletter.

Een andere gebruikelijke fout op de sociale netwerken is het gebruik van de letter ‘kin plaats van de letter ‘c’, en het vervangen van de letters ‘l’ door de Griekse ‘y’; twee fouten, welke men hoofdzakelijk begaat door het, "sparen van tijd”.

De lijst van Rubio gaat verder met de term: "expectacular", een andere gemeenschappelijke fout op het Internet, waarvan de juist vorm "espectacular" is; en men herinnert eraan, dat er ook verschil is tussen: "¡Ay!", "ahí" en "hay".

Wat betreft het werkwoord "haber": voor elke voltooid deelwoord komt steeds de ‘h’, bijvoorbeeld: "ha hecho" en "ha comido"; maar de 'a' verschijnt alleen als het gaat om een voorzetsel, bijvoorbeeld: "se va a su casa", en NIET: "se va ha su casa".

Bovendien is "había" een onpersoonlijk werkwoord, waardoor men "habían" alleen kan vervoegen wanneer het functioneert als hulpwerkwoord van het deelwoord, zo is het NIET JUIST te zeggen: "habían tres sacos de patatas"; maar wel correct is: "ellos habían conseguido hacer los deberes a tiempo".

Ook is het gebruikelijk, om de hele vorm van het werkwoord te gebruiken bij het spreken in de gebiedende wijs; reden, waarom Rubio laat weten dat "¡cerrad la puerta!" juist is, en NIET: "¡cerrar la puerta!”

"Hacer" schrijft men altijd met ‘c ‘, zo geeft men bij de uitgeverij aan, en NIET met ‘s’; het is een gebruikelijke vergissing in de verschillende uitspraken in het Spaans in sommige Deelstaten en in Latijns-Amerika.

Bij Rubio wijst men erop, dat wanneer men simulerend schrijft dat men lacht: "men misbruik maakt van de letter ‘j’ en: "hahaha" is niet hetzelfde als: "jajjjajajajajaj".
zzzislas-canariaslogo-177.jpg


In het studiejaar 2016-2017 bieden de taal-instituten op Canarias ruim 1.100 cursussen aan

CANARISCHE EILANDEN - maandag 22 augustus 2016 -  Van de 22 Escuelas Oficiales de Idiomas (EEOOII) (Officiële Taal-instituten) op Canarias biedt momenteel de meerderheid - in het studiejaar 2016-2017, dat op 12 september aanvangt - ruim 1.000 cursussen aan. Het taalonderwijs omvat Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Russisch, Chinees, en Arabisch op diverse niveaus ; en daarnaast nog eens 100 gespecialiseerde cursussen die gericht zijn op de behoefte aan de ontwikkeling van communicatieve vaardigheden binnen bepaalde beroepsprofielen, zo heeft het Regionale Ministerie laten weten in een communiqué dat is uitgegeven op maandag 21 augustus 2016.

Het doel van deze studies is, om de ontwikkeling en actualisering van taalvaardigheid van de bevolking gedurende het hele leven te bevorderen, wat in lijn is met het beleid in het kader van de Europese Unie, zo geeft het Ministerie van de Canarische Regering aan.
Exmenes-de-la-Escuela-Oficial-de-Idiomas.jpgEscuelaoficialdeidiomas1copia.jpg

De cursussen van de Escuelas Oficiales de Idiomas (EE.OO.II.), zijn geregeld via Koninklijk besluit en tellen tegenwoordig drie niveaus in de La Ley Orgánica 2/2006 de Educación (LOE):

  • Nivel Básico       (gelijk aan A2 in het kader van de Europese Aanbeveling)
  • Nivel Intermedio (gelijk aan B1 in het kader van de Europese Aanbeveling)
  • Nivel Avanzado   (gelijk aan B2 in het kader van de Europese Aanbeveling)

welke zoals gezegd zijn aangepast aan de aanbevelingen van de Raad van Europa waarvan de basisaspecten zijn vastgesteld door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

De tijdsduur van de studies is voor elke taal vastgesteld op twee niveaus:

  • Ciclo Elemental (3 cursussen, elk met een duur van minimaal 120 uur)
  • Ciclo Superior  (2 cursussen, elk met een duur van minimaal 120 uur).

Bovendien biedt men in het studiejaar 2016-2017 wederom een breed scala aan talen aan op studieniveau C1, dat al bestond voor Engels, maar met ingang van het studiejaar 2016-2017 ook wordt aangeboden voor Frans, Duits en Spaans.

De opleiding van niet universitaire-taaldocenten bevat 2.000 plaatsen: voor Engels, Duits en Frans, voor het op Canarias verkrijgen van de persoonlijke erkenning les te kunnen geven aan de EEOOII. speciaal voor het onderwijzend personeel dat deel uitmaakt van de meertalige programma’s.

De rest van de specialisatie cursussen, telt in totaal 1500 plaatsen in 45 lessen voor verschillende talen (Engels, Frans, Duits en Russisch), en zijn gericht op het verwerven van kennis van een bepaalde taal en de ontwikkeling van één of meer vaardigheden op verschillende werkgebieden in de verschillende vakgebieden: dienstverlening,  dienstverlening in het toerisme,  horeca, gezondheidszorg en veiligheidsdiensten, zijn enkele van de specialiteiten die het aanbod in 2016/2017 omvat.

Voor volledige informatie en toelichting neemt u (in het Spaans) een kijkje op: - https://es.wikipedia.org/wiki/Escuela_Oficial_de_Idiomas


Stop de invasie van Engelse woorden
 
in de Spaanse taal

Spanje - vrijdag 27 mei 2016 - De Real Academia Española (RAE) (Koninklijke Spaanse Academie)  is een campagne gestart om het gebruik van Engelse woorden in de Spaanse taal te voorkomen. Net zoals in Nederland en België worden er steeds meer Engelse/Amerikaanse woorden gebruikt in de dagelijkse taal en dat wil men tegen gaan houden.

Het Castiliaans (de Spaanse taal), heeft steeds meer concurrentie van het Engels. Dat wil zeggen, er worden steeds meer Engelse begrippen gebruikt voor iets waar ook Spaanse woorden voor zijn. Ondanks het feit dat het niveau Engels-spreken in Spanje nog steeds erg laag is, begrijpen de meeste Spanjaarden wel woorden die men ziet op internet, of hoort op televisie, of in films.
spaans-engels1a.jpgVooral in reclames worden veel Engelse termen gebruikt welke makkelijk door Spaanse worden vervangen kunnen worden, aldus de RAE en  om dat te bewerkstelligen, is men nu een campagne begonnen;  de vraag is echter, of dat veel effect zal gaan hebben.
                                        rae.png
Er zijn namelijk veel woorden die, door internet, televisie en andere vormen van communicatie al in de Spaanse taal zijn overgenomen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan termen in de sportwereld zoals Hattrick, Crack, Ace, Running, Footing, of in de huizenmarkt: business met Alto Standing of Penthouse.

Andere woorden zijn Parking, Zapping, Tuning, Office, Friki en wat dacht u van Gin-Tonic (wat in het Spaans ginebra y tónica is). En zo zijn er nog veel meer woorden en uitdrukkingen  op te noemen… probeer het maar, u zult versteld staan hoeveel Engels er gebruikt wordt, waarvoor in nagenoeg  alle gevallen een goed alternatief is in de eigen landstaal , of dat nu Spaans, Nederlands , of Vlaams is.

En over verwilderd gesproken...
images2-6.jpg0119_Vorst.jpgzayn-malik-zet-tatoeage-gezicht.jpgzayn-malik-moest-verplicht-baard-afscheren-one-direction-1.jpgDe redactie van ‘Gran Canaria actueel’ doet in elk geval niet mee aan de Engelse verkrachting van het Nederlands, maar misschien was u dat al opgevallen; en ook hebben wij niet een – zo tegenwoordig in de mode zijnde korte stoppelbaard… maar zijn we netjes, fris geschoren, ‘jongens van Jan de Wit’!

Peter_van_der_vorst_verwilderd.jpg
Voor de fans van Peter van der Vorst is het even schrikken. De programmamaker ziet er momenteel namelijk onherkenbaar verwilderd uit. Hij heeft een baard en zijn kapsel zit uit de plooi.
uuid661b4daa-c268-479d-8c07-97f539908e8a.jpguuid707c438a-35b2-483f-ba5d-8e43d7375bdb.jpg        images-117.jpg562a2ed71900002e00b94b53.jpeg
Maar gelukkig loopt hij er (in het openbaar) (nog) niet zo bij. Maar hij dan weer wel...!       
Om dan over tatoeages van al die hedendaagse ‘stempelkussens’ ( 'gefrustreerd kuddevolk' en vooral ook voetballers ) maar helemaal te zwijgen.
zzzzzzzislas-canariaslogo-542.jpg


De Canarische Universiteit bewerkt een gids
voor het gebruik van niet seksistische taal

CANARISCHE EILANDEN - zondag 1 mei 2016 - De Canarische Openbare Universiteiten hebben samengewerkt in het opstellen van het Protocolo del Lenguaje Inclusivo (Taal-omvattende Protocol); een gids, voor niet seksistisch taalgebruik, die op 22 april 2016 is goedgekeurd door de Bestuursraad van de Universiteit van Las Palmas de Gran Canaria (ULPGC), nadat die al eerder was geratificeerd door de Universiteit van La Laguna (ULL).

Dat is meegedeeld door Ángeles Mateo del Pino, vertegenwoordigster van de Afdeling Gelijkheid van de ULPGC, die een taal en een inhoud voorstelt die nier seksistisch is in de werken die de Universiteit ontwikkelt, waardoor het principe van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wordt weergegeven.

Dit document met richtlijnen voor niet seksistisch taalgebruik, is opgesteld door de hoogleraar Algemene Taalwetenschap, Manuel Almeida, in samenwerking met de Afdelingen voor Gelijkheid van de Canarische Universiteiten.
universidad-canaria.jpg                                                                      Ángeles Mateo Pino. 
De gids behandelt diverse kwesties met betrekking tot seksistisch taalgebruik, met een eerste deel waarin men een classificatie weergeeft van de diverse soorten seksisme en de beschrijving van elk daarvan, met bovendien aanbevelingen om deze te vermijden; en een tweede blok, waarin men de diverse teksten analyseert die verkregen zijn van internetpagina´s van de twee Canarische Universiteiten, evenals uit andere documenten in  de Universitaire sfeer, met het doel seksistische uitingen op te merken die ze bevatten en alternatieve teksten voor te stellen.

Zo heeft Almeida het over de verschillende vormen van taalkundig seksisme (verzwijging en/of achterstelling van vrouwen in het discours, de lexicaal-semantische asymmetrie, en de  stereotypen) samen met alternatieven voor een aantal van de argumenten waarmee  bepaalde groepen schermen tegen dergelijke vormen. Als voorbeeld, benadrukt hij de indeling van "antieconómicas" ("onrendabele" ) als aanbeveling voor het gebuik van  het dubbele geslacht in plaats van het mannelijke voor het definiéren van het samenstel van een colectief mannen en vrouwen.

Zo referteert hij bijvoorbeeld aan los canarios en las canarias (der Canario’s en de Canaria’s) , in plaats van los canarios (de Canario’s), om te verwijzen naar de bevolking van de Archipel.
 "Critici beweren dat die regels complexer zijn dan de taalkundige standaard welke men op dit moment hanteert. Dat wil zeggen, dat het gemakkelijker is om los canarios (de Canario’s) (in algemene zin) te zeggen, dan  los canarios en las canarias (de Canario’s en de Canaria’s) (wat een van de voorgestelde alterabtieven is voor de mannelijke vorm).

Interessant is, dat in het debat over de wijzigingen van de hervorming van de Universitaire Statuten van de ULPGC, eerder in april 2016 opgesteld door el Claustro (de Senaat), men dicussieerde over het al dan niet gebruiken van ‘vrouw- of man’-termen in de tekst van de besproken Statuten, om eventuele seksistisch taalgebruik te vermijden. In het  voorstel van de commissie telt men 234 artikelen met generieke termen en 30 artikelen met dubbele mannelijke/ vrouwelijke-generieke termen die nier egnerie3k zij n.

Na het debat - en met instemming van alle deelnemers (professoren/studenten) dat taal niet seksistisch zou moeten zijn - is men overeengekomen dat, in het voordeel van het taalgebruik, het mogelijk zal moeten zijn, dat men een generieke term gebruikt; en dat in gevallen waarin dat niet bestaat, de mannelijke term wordt gebruikt;  echter met toevoeging van een uitdrukkelijke extra bepaling, dat men deze mannelijke termen gebruikt in het voordeel van het economische taalgebruik en dat dit op geen enkele wijze duidt op al dan niet seksistische taal.

Een voorbeeld daarvan is  de classificatie “antieconómica" ("onrendabele")  op de duiding van het dubbele geslacht.

Een ander argument dat de specialist noemt tegen de aanbevelingen van een niet seksistische taal, wordt ondersteund met het idee, “dat het naïef is om te denken, dat het veranderen van de taal automatisch de positie van de vrouw  als ondergeschikte in onze samenleving zal  wijzigen.

Almeida zegt over het belang van de wetenschap, dat taal een belangrijke rol speelt in de organisatie van de praktijk en, dat de manier om de realiteit  te veranderen is, dat  men gelijktijdig deze taal aanwijst en benoemt. "Gebruik iets op ongunstige wijze zoals  fulana (hoer, slet, prostituee, bijzit, concubine), of sargenta (manwijf, kenau, helleveeg, sergeantsvrouw) als aanduiding van samenhangende seksualiteit met een reeks stereotype, of vermeende, wilskrachtige vrouwen; allemaal onderwerpen die in de meeste gevallen niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Met het vermijden van deze woorden met ongunstige bijklank, leveren we aldus een bijdrage aan een minder bevooroordeelde, meer realistische vertegenwoordiging."

Opmerkelijk: Kijkt u in dit verband als lezer/lezeres eens naar de onbegrijpelijke beslissing van de Nederlandse Verenging op de CANARISCHE EILANDEN om - op initiatief van een of meerdere (taal)onbenullen - na ruim 30 jaar haar officiële naam van 'Nederlandse Vereniging Canarias' te veranderen in: 'Nederlandse Vereniging Canaria', ofwel vertaald in hoog Spaans officieel: 'Asociación Neerlandesa Canaria', waarbij dan de niet officiële - dus veranderde Nederlandse naam -  duidt op een: Vereniging van de Canarische Vrouw... een vlag dus, die de landing niet dekt!

zzzzzzzislas-canariaslogo-444.jpg


De meest verrassende definities,
gemaakt door kinderen

ZARAGOZA -  donderdag 10 maart 2016 - Een onderwijzer in Zaragoza heeft op zijn pagina in Facebook de vermakelijke woord-reconstructies van zijn leerlingen geplaatst. En ja, de Spaanse taal is niet alleen rijk en mooi... maar kan ook vermakelijk zijn!

Wat betekenen deze woorden voor jou?
"Extenuado (uitgeput), rapiñar (wegpikken, stelen met geweld ), enjuto (droog), visado (visum), flanco (flank), utopía (utopie), marquesina (grote tent), denigrante (hatelijk)...."  Voor de jongens em meisjes van groep 5B van de openbare basisschool Puerta de Sancho in Zaragoza en voor hun onderwijzer César Bona was dit een manier - om via een spel en de verbeelding - te leren, en iets, wat ze waarschijnlijk nooit zullen vergeten.

César Bona is bekend door de uitvoering van een bepaalde lesmethode op basis van gezond verstand, psychologie en de tijd om naar zijn leerlingen te luisteren; maar ook, omdat hij een van de vijftig finalisten was voor de Premios Global Teacher Prize, wat zoiets is als de Nobelprijs voor onderwijzers.
Bona nam aan het eind van het voorjaar in 2015 een vermakelijk initiatief waarin de chavales  (kinderen) konden voldoen aan zijn opdracht: " woorden te herleiden en ze een nieuwe betekenis te geven met behulp van de verbeelding.

Bona maakte een samenvatting van wat hem het beste leek, bevestigde deze op het prikbord in de klas en plaatste de meest vermakelijke op zijn profiel bij Facebook, wat tot een triomftocht leidde op de sociale media.

Hieronder een vrije vertaling van wat de leerlingen hebben opgeschreven:
extenuado-1.jpg

Exentuado (uitgeput): Iemand die uit het veld gestuurd is voor het dragen van losse veters in de schoenen. Bijv.: Gisteren was ik weggestuurd uit Londen.

rapinar.jpgRapiñar (wegpikken, stelen met geweld): Je ontdoen van haar  en eruitzien als een ananas.
Zin:
Alberto had zijn haar verwijderd.

enjuto.jpg
Enjusto (droog)
   Ik ben op het juiste moment boos geworden.
   Ik heb een hoek verknald.

visado.jpg
Visado (visum) : Wanneer ze je waarschuwen dat je iets negeert en vandaar dat ze je zeggen: Ik had je "gewaarschuwd"

Zin:  Gisteren had Marcos me "gewaarschuwd".

flanco.jpgFlanco (Flank): Een witte vla
In Masterchef maakten ze een flancoutopia.jpg
Utopia (Utopie) : Enkelbaans autoweg:Om naar Barcelona te gaan moet je via de utopia gaan.
marquesina.jpg
Marquesina (grote tent, overkapping, luifel): De dochter
van een markies en een markiezin

Voorbeeld: Ik  ben 
verliefd geworden op de marquesina.
denigrante.jpg

Denigrante (hatelijk): Emigrant die uit de stad Denia komt
Die denigrant is uit Madrid gekomen.

Vleugje verfrissing
We onderschatten de kinderen voortdurend, Ze hebben een wonderbaarlijke fantasie en we moeten hen aanmoedigen om die te gebruiken," zegt Bona over een initiatief wat, op dat moment, niet iedereen begreep, maar waarvan het doel simpel en duidelijk was: nieuwe betekenissen verzinnen om, al lerend, de kinderen een vleugje verfrissing toe te laten voegen aan de Spaanse woordenschat .

zzzzzzzislas-canariaslogo-261.jpg


De herkomst van tien bekende uitdrukkingen
in het Spaans

SPANJE - schrikkeldag, maandag 29 februari 2016 - Uitdrukkingen zoals; “estar en Babia”, of; “irse por los cerros de Úbeda” maken deel uit van de Spaanse taal, die rijk is aan volkswijsheden en gezegden.

Iedereen weet, dat het Spaans onbetwist een rijke taal is. De veelheid aan volksuitdrukkingen die in het Spaans bestaan, vertegenwoordigen een buitengewone rijkdom in de taal.

“Estar en Babia”; “verse el plumero”; “ponerse las botas...” maken deel uit van het repertoire aan uitdrukkingen, standaardzinnen,  gezegden, en refreinen die men op een gebruikelijke wijze bezigt in de dagelijkse taal. Hoewel de meerderheid van de Spanjaarden dagelijks dit soort uitdrukkingen gebruikt, is de oorsprong ervan bij velen onbekend.  Hieronder vertellen wij u, wat de herkomst is van deze uitdrukkingen.
expresionespopulares.jpg
el-porque-de-los-dichos-jose-maria-iribarren-403411-MLA20543368368_012016-F.jpg
1) “Armarse la Marimonera”
Deze uitdrukking wordt gebezigd als men bijvoorbeeld vertelt over een gevecht, en zegt: ‘que se armó la Marimorena'  (‘dat men vocht als Marimorena’), wat niets te maken heeft met het beroemde villancico (kerstlied). De oorsprong ervan gaat terug tot in de 16de Eeuw, om precies te zijn naar het Madrid de los Austrias (Madrid van de Oostenrijkers).

Het boek 'El porqué de los dichos' (‘Het waarom van de gezegden’) legt uit, dat er destijds in Madrid een taberna (herberg) was die werd bedreven door het echtpaar Alonso de Zayas en María Morena,  beter bekend als  Mari Morena, of Mari La Morena.
 Dit etablissement raakte beroemd door een juridisch proces dat men opende in 1579 vanwege een vechtpartij nadat de eigenaren van de herberg weigerden hun beste wijn te serveren aan een groep soldaten.
Die afwijzing was de oorzaak van en spectaculair gevecht, waarbij verondersteld wordt dat het Mari Morena was die 'repartió más leña' (‘het meeste brandhout - lees: ‘klappen’-  uitdeelde’).
IMG_2276.jpg MAPA-ESPAA-BABIA.bmp

2) “Estar en Babia”
Deze uitdrukking, die men toepast op die personen die verouderd en onoplettend denken, heeft in de hoofdrol de mooie Leonese plaats. Klaarblijkelijk heeft de oorsprong ervan te maken met het koningschap. En het is, dat de koningen van León deze plaats als rustoord gebruikten, waar men naar toe kwam om er te jagen, te vissen en te ontsnappen aan de intriges van het Hof.
logo-estas-en-babia.jpg
942183_1.gif
818852_1.jpg
                                          Een weekeinde doorbrengen in Babía.
mi_magico_leon_abelgas_de_luna_leon.jpg
Volgens sommige studies, was het wanneer de monarchen terugkeerden naar het paleis en niet lastig gevallen wensten te worden, hun dienaren de order hadden als excuus te geven, dat de koningen afwezig waren, omdat ze, “in Babia waren.”
maxresdefault-23.jpg3) “Verse el plumero”'(De plumeau zien - stoffer/stofdoek)
Als men de verborgen bedoelingen van iemand ontdekt, wordt deze uitdrukking vaak gebruikt, waarvan de oorsprong nauw verbonden is met de politiek, en concreet met de liberalen aan het begin van de 19de Eeuw.

Na het in 1812 verzegelen van de Constitución de Cádiz (de eerste Spaanse Grondwet), populair bekend als ‘La Pepa’, vormde men de Milicia Nacional, waarvan de leden progressieve ideeën verdedigden en die zich tooiden met een pet met een toefje veren, dat hen al van ver zichtbaar maakte; een uitdrukking die leidde tot de huidige betekenis.

4) “A buenas horas mangas verdes
Men gebruikt deze uitdrukking als de oplossing voor een probleem laat komt, omdat het dan al is opgelost . In dit geval gaat de oorsprong ervan enkele eeuwen terug, Concreet tussen de 15de en de 19de Eeuw, toen er in Spanje een politiekorps bestond waarvan het uniform bestond uit een lederen vest dat een groen hemd liet zien.  Dat veroorzaakte dat de agenten bekend raakten als de “mangas verdes” (“groene mouwen”).

Klaarblijkelijk was de effectiviteit van dit politiekorps niet altijd het beste, want regelmatig kwam het te laat op de plaatsen waar men verlangd werd. Het is daarom dat het gezegde in zwang kwam: "in goede tijden groene mouwen” wanneer de agenten kwamen opdagen  en de situatie al was opgelost.
4a13de9006516_80d8b2b84822c62032cb2767d601caa0.jpg

5) “No dar un palo al agua
Wanneer iemand erg vaag is, zegt men van hem, “no da un palo al agua (”hij geeft geen klap op het water ”), een uitdrukking die doet denken aan het zeemanschap. En het is dat men die toepaste op diegene die in een schip niet samenwerkte met het roeien van de rest van de matrozen om het schip voort te bewegen. Sindsdien heeft deze uitdrukking dusdanig  aan populariteit gewonnen, dat men die tegenwoordig toepast op iedereen die weinig zin heeft in zijn werk.

6) “Ponerse las botas”
Wanneer iemand veel profijt trekt van iets, of concreet veel geniet van een pleziertje, vooral in gastronomische zin, kan men zeggen: “se pone las botas”(“men trekt de laarzen aan”), omdat laarzen van een opvallend rijke man waren, want de armen gebruikten schoenen.
FALc121.jpg

7) 'A la ocasión la pintan calva' (“Bij gelegenheid schijnt de zon”)
Ook in dit geval verwijst José María Iribarren naar dit zo populaire gezegde, waarvan de oorsprong kont van een Romeinse godin genaamd Ocasión en die werd afgebeeld als een knappe vrouw zittend op een wiel en met vleugels op haar rug en aan haar benen. Met deze symboliek wil men weergeven, dat kansen snel voorbijgaan.

Bovendien had deze godin Ocasión een specifiek kenmerk op haar hoofd. Terwijl ze aan de voorkant weelderig haar had, was ze van achteren kaal. Zodende symboliseert dit de onmogelijkheid haar bij de haren te pakken als de kansen eenmaal voorbij waren, en hoe gemakkelijk het is als deze gelegenheden zich voordoen.

8) “Irse por los cerros de Úbeda” (“Zich in de heuvels van Úbeda begeven”).
Deze uitdrukking, die men  toepast  op iemand die zich afzijdig houdt van de zaak waarover men  praat en waarin men zich mengt, gaat terug tot in de 13de eeuw, concreet naar het jaar 1233 ten tijde van de Reconquista (Herovering). Zo staat te lezen in een folder van de VVV van  Úbeda y Baeza, waarin men uitlegt dat de Castiliaanse koning  Fernando IIII (‘el Santo’) (‘de Heilige’) een van zijn luitenants opdracht gaf enkele nabijgelegen heuvels te bewaken bij deze plaats in Jaén.

Daar aangekomen, werd deze militair verliefd op een mooie vrouw die daar woonde, en voldeed dus niet aan de opdracht die de koning hem had gegeven. Toen hem door de vorst werd gevaagd wat er was gebeurd, antwoordde hij Fernando III, dat hij door de heuvels van Úbeda had gedwaald.

La tridición cuenta que su origen se debe al arzobispo sevillano del s.XV Alonso I de Fonseca, quien cedió su puesto temporalmente a su sobrino-nieto, el arzobispo de Santiago de Compostela, para ayudarle a solucionar un asunto en la ciudad gallega.
5252bcfd38ce1.jpg

9) “Quien se fue a Sevilla perdió su silla”
Men gebruikt deze uitdrukking wanneer iemand iets, of een privilege verliest na dit een relatief  korte tijd verlaten te hebben. Volgens het Instituto Cervantes, gaat deze uitdrukking terug tot in de 15de Eeuw, tijdens de regering van Enrique IV (1454-1474). In die tijd kende de Aartsbisschop van Sevilla´, Alonso I de Fonseca , zijn positie tijdelijk toe aan zijn neefje, de Aartsbisschop van Santiagio de Compostella, 
In die jaren echter raakte de Galicische stad “een beetje in opstand”, waardoor de laatstgenoemde aan Fonsesca vroeg, dat hij naar Santiago zou komen om de situatie te kalmeren terwijl híj in Sevilla bleef.
enrique-iv-castilla--644x362.jpg
                                           Hendrik de Vierde, koning van Castillië..
Na de gemoederen bedaard te hebben en teruggekeerd te zijn van Santiago naar Sevilla, zag Alonso de Fonseca zich geconfronteerd, dat zijn neef het Aartsbisdom van de Spaanse Hoofdstad niet wilde verlaten dat hij tijdelijk had bezet, Alonso de Fonseca moest zich zelfs tot de Paus wenden, tot de koning, en enkele medestanders van zijn neef doden, om ‘zijn zetel’  terug te krijgen.
Torneo_49a4441c6a54b.jpg

10) “Dejar en la estacada
Deze uitdrukking verwijst naar het verlaten van iemand, of deze in de steek te laten. De Fundación de la Lengua Española legt uit, dat een 'estacada' (steekspel), “een  palenque (palissade), of liza (toernooiveld) is, en gewoonlijk gevormd wordt met estacas (palen), die men gebruikt bij eerlijke toernooien en uitdagingen.
19estacada_ampliacion.jpg                                                                      Estacada
Dit element
 betekent een uitdrukking te zijn die figuurlijk naar iemand verwijst, die iemand anders verlaat vanwege een ernstig risico, of een gevaarlijke zaak.

Er zijn uiteraard nog veel meer Spaanse gezegden en uitdrukkingen. Geïnteresseerd…?
Kijk dan eens (in het Spaans) op:
http://fraseshechaspedrol.blogspot.com.es/2015/04/dejar-uno-en-la-estacada.html
zzzzzzzislas-canariaslogo-215.jpg


Een rots-inscriptie kan het raadsel oplossen

Is de ‘steen van Rosetta’ voor het Guanchen-schrift gevonden?

Fuerteventura - vrijdag 12 februari 2016 - Een rots-inscriptie van Canarische oerbewoners, die op Fuerteventura is ontdekt, zou een doorbraak kunnen zijn in de ontcijfering van de betekenis van de schrifttekens, die in tijden van voor de Conquista (Spaanse Verovering) op de oostelijke eilanden Lanzarote en Fuerteventura werden gebruikt.

Het gaat om in steen gebeitelde lettertekens in twee verschillende schriften, het Libisch-Latijns en het Libisch-Berbers.
56aa08b5cace9.jpgEr staat in Libisch-Latijns: ‘Zoon van Makuran en van Timamasi, Dochter van Timamasi,’ en in Libisch-Berbers: ‘Zoon van Makuran’.

Het bestaan van eenzelfde tekstgedeelte,  geschreven in twee verschillende alfabetten opent nieuwe mogelijkheden voor de ontcijfering van de tot nu toe niet begrepen schrifttekens van de Guanchen.

De inscriptie is ook in zoverre opmerkelijk, omdat deze de eerste uitkomst over een verwantschapsverhouding weergeeft, die tot nu toe niet op Fuerteventura en Lanzarote is aangetroffen.

De vondst is een aanwijzing, dat op de Eilanden twee alfabetten in gebruik waren, maar dat er één taal gesproken werd.

De steen van Rosetta
rosetta.gif rosetta2.jpg

* Zie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Steen_van_Rosetta
zzzzzzzislas-canariaslogo-163.jpg


Uitdrukkingen die Canarischer zijn dan gofio

CANARISCHE EILANDEN - maandag 18 januari 2016 - Canario’s spreken met een ander accent dan de overige Spanjaarden, ze gebruiken eigen woorden en ook veel uitdrukkingen die moeilijk zijn te begrijpen als men niet op de eilanden is geboren en getogen. Juan José Dorta heeft veel van deze uitdrukkingen verzameld en gepubliceerd in een boek dat, zoals hij verzekert,  geen ander doel heeft,  dan  amusant en onderhoudend te zijn.

Een zo Canarische uitdrukking om iemand te begroeten die men op straat tegenkomt met een: “¿oh qué paso?” (“wat is er gebeurd?”) , was aanleiding voor Juan José (Cheche) Dorta  om een uiteenzetting te geven over, “ hoe men  op Canarias  ‘What’s App’ heeft uitgevonden nog voordat er mobiele telefoons en de toepassingen waren [What’s App is een samenstelling van woorden, die gebruik maakt van de Engelse uitdrukking: what’s up, dat ook betekent  ¡qué paso!, door het up te vervangen door App, de afkorting van: toepassing].

                                            cheche.jpg
                        Juan José (Cheche) Dorta , auteur van het boek: 'Frases canarias'
Cheche vergelijkt heel elegant de gelijkenis van de twee uitdrukkingen waarbij men zich gemakkelijk kan voorstellen  hoe hij ruim  500 uitdrukkingen en Canarische zinnen heeft verzameld in het boek dat hij onlangs heeft gepubliceerd.

Frases canarias (uitgeverij: Algani Editorial) wil een woordenboek zijn met woorden en uitdrukkingen waarmee de auteur de Canarische spreekwijze beschrijft, “zonder al te veel academisme,” en met de bedoeling, zegt hij, “de lezer te amuseren.”

Cheche Dorta verzekert, dat het verzamelen van een vijfhonderdtal uitdrukkingen hem niet meer moeite heeft gekost dan  “zijn herinnering te raadplegen;” en hij is met veel zin geïnteresseerd in de Canarische accenten. Feitelijk is Frases canarias het tweede deel van zijn eerste boek: Palabras de ayer y de hoy, acentos en el recuerdo (Woorden van toen en nu, accenten uit de herinnering) (de drie edities zijn uitverkocht),waarin hij, zoals de titel zegt, woorden uit de Canarische taal heeft verzameld.

De zinnen en uitdrukkingen zijn niet meer, zegt Dorta, “dan dat wat men gebruikte en is blijven gebruiken in een groot deel van de dorpen op Canarias; zinnen en uitdrukkingen die zijn ontstaan op straat en die te maken hebben met de beleving van mensen.”

Cheche Dorta komt van oorsprong uit Guía de Isora, in het Westen van Tenerife, een gemeente, zo zegt hij, “ die behoorlijk geïsoleerd was en is; “iets, wat er voor zorgt dat de  uitdrukkingen die de grootouders gebruikten,  ook door de jongeren gebezigd worden.

Ze trekken de aandacht van Dorta terwijl in de grote steden en in  toeristenwijken op Tenerife men veel uitdrukkingen en woorden verloren heeft, “zelfs sommigen die in een paar maanden op het  Península (Schiereiland = het vasteland van Spanje) hebben vertoefd, komen terug en spreken met de c en de z;” op Gran Canaria is meer ‘patriottisme’ (‘vaderlandsliefde”’) als het aankomt op het bewaren ervan en hij benadrukt, “dat ze veel lijken op de zinnen en uitdrukkingen welke men gebruikt in het westen van Tenerife.

Hebben de verzamelde uitdrukkingen op zich al veel scherts in zich, dat hebben de definities nog meer waarmee Cheche Dorta ze vergezeld doet gaan, “het is eigen oogst,” verzekert hij als hij toegeeft, “dat sommige gelukkiger zijn dan andere”.

Waarover geen twijfel bestaat is dat zowel de zinnen als zijn definities Canarischer zijn dan gofio, iets waaraan de auteur veel aandacht besteedt omdat hij van mening is, dat zijn boek niet alleen moet dienen om deze te begrijpen, maar ook om ze te integreren in de taal, hoewel - dat zeker - “aangepast aan de eisen van  de tegenwoordige tijd”.

De auteur betreurt het, dat de Real Academia de la Lengua Española * (Konininklijke Academie van de Spaanse Taal) geen enkel canarisme heeft opgenomen in de recente edities van het woordenboek en wel aan de aanpassingen van het Engels, wat hem voorkomt als ‘cursilería’ (‘willekeur’). En bij kwesties zoals deze is hij van mening  dat er niets anders gezegd kan worden dan: ¡quíteseme de delante! (houdt me erbuiten!)

* Real Academia Española
De Real Academia Española (RAE) (Koninklijke Spaanse Academie) is de gezaghebbende  instelling die verantwoordelijk is voor het reguleren van de Spaanse Taal. Het hoofdkantoor is gevestigd in Madrid  maar werkt nauw samen met 21 andere Spaanssprekende landen via de Asociación de Academias de la Lengua Española (Vereniging van Academies van de Spaanse Taal).
Estatutos_rae_1715big.jpg

           Het omslag van de Stichting en de Statuten van de Real Academia Española (1715).
De academie is in 1713 opgezet door Juan Manuel Fernández Pacheco, naar het voorbeeld van de Académie française.
De wapenspreuk  van de academie is: Limpia, fija y da esplendor (Reinigen, versterkten en glans geven).
zzzzzzzislas-canariaslogo-64.jpg


Spaanse politieke partij PP wil af van
het
nasynchroniseren van films en tv-series

SPANJE - dinsdag 8 december 2015 - Met nog maar twee weken te gaan voor de verkiezingen op 20 december 2015 in Spanje heeft de Partido Popular (PP) een idee van de partij te berde gebracht wat eigenlijk al veel langer had moeten gebeuren. De PP wil namelijk af van het in het Spaans nasynchroniseren van bioscoopfilms, telvisie- films en televisieseries. Het plan is dan ook opgenomen in het verkiezingsprogramma 2015.

Gezien het feit dat kennis van de Engels taal bij Spanjaarden, jong en oud, ver te zoeken is en dat dit veel slechter is dan dat van bijvoorbeeld Scandinaviërs, Belgen of Nederlanders, zou het opheffen van het na synchroniseren van films en tv-series geen slecht idee zijn. Zo zouden films en series in de oorspronkelijke taal moeten worden uitgezonden met ondertiteling in het Spaans.
spaans1a.jpgAldus zou men sneller Engels kunnen leren en/of beter moeten kunnen verstaan. Dat dit werkt in andere landen mag duidelijk zijn, maar er wordt over het hoofd gezien, dat het nasynchroniseren van films en series veel banen oplevert. Het nasynchroniseren van films en series is ingevoerd in de dictatorjaren van Franco, omdat hij niet wilde dat bepaalde woorden en teksten werden uitgezonden op tv of vertoond in de bioscoop. Op deze manier heeft Franco de films kunnen controleren en werd alles uitsluitend in het in het Spaans uitgezonden en vertoond.
naamloos-192.png imagesP9TZGNQP.jpg

Het plan van onderwijsminister Iñigo Méndez de Vigo is opgenomen in het verkiezingsprogramma 2015 van de PP. In datzelfde plan staat ook, dat Spaanse kinderen in het Spaans les mogen krijgen als de ouders dat willen, en dat is wat niet overal in Spanje goed is ontvangen - zeker niet in Catalonië en Baskenland.
00000AAAAAAAAAslas-canariaslogo-20.jpg 


Het Ministerie van Onderwijs wil aan de pedagogische academie op Canarias het aantal plaatsen voor meertalig onderwijs verdubbelen

José Miguel Pérez presenteert een specialiseringsprogramma
voor onderwijskrachten op de Archipel

CANARISCHE EILANDEN - dinsdag 8 april 2014 - Het Ministerie van Onderwijs, van de Canarische Regering, wil binnen twee jaar aan de pedagogische academie op Canarias het aantal plaatsen voor meertalig onderwijs verdubbelen, voor onderwijs aan de lagere school, de middelbare school en de beroepsopleiding, via een specialiseringsprogramma voor de Canarische leerkrachten.

De vicepresident van de Canarische Regering, tevens minister van Onderwijs, José Miguel Pérez (PSOE) heeft op zaterdag 5 april 2014 in Las Palmas de Gran Canaria dit specialiseringsproject in talen voor leerkrachten van het openbaar onderwijs gepresenteerd, dat men zal implementeren in het komende schooljaar met een aanbod van 595 plaatsen op de Taalinstituten op de Eilanden.

Een Canarische leerkracht kan deze cursus in communicatieve vaardigheden in Engels, Frans en Duits volgen die specifiek gericht zijn op deze doelgroep, opdat men het Europese B2, -niveau voor deze talen kan bereiken en toepassen, en deze kennis vervolgens over kan dragen in de klaslokalen.

Dit initiatief maakt onderdeel uit van het aanbod, dat is ontworpen door Onderwijsraad voor Officiële Taalinstituten in het kader van de doelstelling, het leren van buitenlandse taken te versterken voor scholieren, volgens de richtlijnen van de Europese Raad.

“Momenteel volgen 20.000 Canarische studenten meertalig onderwijs aan 71 scholen (381 in het basisonderwijs en 90 in het vervolgonderwijs), dankzij het werk van 1.300 docenten,” zo heeft Pérez laten weten, die heeft toegevoegd, dat met nog eens 595 gespecialiseerde leerkrachten, de plaatsen voor dit onderwijs met 9.000 zullen worden verhoogd, zowel voor het schooljaar 2014-2015 als voor, dat van 2015-2016.

José Miguel Pérez heeft benadrukt, dat dit initiatief onderdeel uitmaakt van het doel van de Canarische Regering, om het economische model van de Archipel te hervormen, wat een betere beheersing van de talen inhoudt.


Van de 35.895 door de Onderwijsraad  voor Officiële Taalinstituten ontworpen plaatsen voor het cursusjaar 2015-2015, zal men er 1.190 reserveren voor het actualiseren van talen; en daarvan zij er 585 bestemd voor het actualiseren van bevoegdheden in het gebruik van Engels en Fans door leerkrachten, vooral, voor de meervoudige taalprogramma’s CLIL en Bachibac.

Het aanbod is voorzien in twee verschillende niveaus, dat  men deels al zal gaan geven  in  de cursussen communicatieve bevoegdheden op het gevorderde niveau (B2), gericht op leerkrachten meertalig onderwijs volgen op een gevorderd niveau van de taalprogramma’s.

Bovendien zal het Ministerie ook cursussen aanbieden in communicatieve vaardigheden op Middelbaar niveau (B1) aan docenten die nog niet de vereiste bevoegdheid voor meertalig onderwijs hebben, maar die een gemiddeld taalniveau hebben.

Met 35.895 plaatsen verhoogt Onderwijs haar algemene aanbod op de Escuelas Oficiales de Idiomas (Officiële Taalinstituten) op de eilanden voor het cursusjaar 2014-2015 met 1.125 ten opzichte van het huidige aantal; een verhoging van alle talen, hoewel voornamelijk in het Engels (815) en het Russisch (180), dit laatste heeft te maken met het groeiende aantal toeristen dat uit Rusland komt.

Pérez heeft de rol benadrukt die het Ministere speelt in het uitbreiden van het onderwijs in buitenlandse talen op de diverse schoolniveaus van Canarias, omdat in het cursusjaar 2004-2005, toen men het meertalige onderwijs heeft ingevoerd, men slechts acht openbare scholen op de eilanden telde voor dit onderwijs.

Naast Spaans voor buitenlanders (1.250 plaatsen), geven de Escuelas Oficiales de Idiomas in het schooljaar 2014-2105 ook les in Engels 21.750; Duits 5.855; Frans 4.210; Italiaans 930; Russisch 670, Arabisch 490 en Chinees 740.

Lanzarote beschikt over 35 plaatsen voor docenten van het openbaar onderwijs die  het programma Engels willen volgen; een aantal, dat zich herhaalt op Fuerteventura en op La Palma; terwijl men op Gran Canaria 245 plaatsen zal hebben (175 voor Engels, 35 voor Frans en 35 voor Duits) en op Tenerife 210 voor Engels en 35 voor Frans.

Op hun beurt hebben El Hierro en La Gomera plaatsen vacant voor de reguliere cursussen op middelbaar en gevorderd niveau Engels.
1-AAAAislas-canarias-85.jpg 


Gemeente prijst Colegio Arenas
 
om aanbod Spaans voor buitenlanders

SAN BARTOLOMÉ DE TIRAJANA - 1 februari 2014 - Het Colegio Arenas Sur is begonnen met de inschrijving voor he behalen van het DELE; een diploma van het Cervantes Instituut, zowel voor leerlingen van de school, evenals voor buitenlanders.

DELE is de afkorting van: ‘Diploma de Español como Lengua Extranjera´ en betekent: `Diploma voor Spaans als Vreemde Taal´.
De DELE’s zijn de enige officiële diploma’s met een internationaal karakter die de kennis en beheersing van het Spaanse taal bewijzen en die namens de Spaanse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Sport door het Instituto Cervantes worden toegekend, (zie:
http://utrecht.cervantes.es/nl/diplomas_spaans/algemene_informatie_diplomas_spaans.htm).

De wethouder van Cultuur, Elena Álamo, van de Gemeente San Bartolomé de Tirajana heeft het Colegio Arenas Sur gefeliciteerd met de start van de inschrijving voor het behalen van het DELE’s van het Cervantes Instituut; zowel voor leerlingen van de school, evenals voor buitenlanders.

Dit aanbod is bijzonder waardevol in een gemeente zoals San Bartolomé de Tirana waar duizenden Europeanen wonen en, die jaarlijks door ruim 7 miljoen toeristen wordt bezocht, zo heeft Álamo opgemerkt.

In die zin heeft men bovendien ondersteuning ontvangen van de minister van Toerisme, Melchor Camón, van het Cabildo (Eilandbestuur) van Gran Canaria.

Het erkende diploma wordt op Gran Canaria alleen uitgegeven door de genoemde school, en veronderstelt een extern aanbod te zijn voor het verkrijgen van de DELE’s als enige officiële diploma’s met een internationaal karakter die de kennis en beheersing van het Spaanse taal bewijzen.

Het gaat om cursussen Spaans voor Buitenlanders van minimaal 20 uur en, maximaal 56 uur Spaanse les voor buitenlanders, onder professionele begeleiding en evaluatie van de capaciteiten.

Dit programma is geboren uit de noodzaak de integratie en academische ontwikkeling te bevorderen van de buitenlandse leerlingen die zich bij de school hebben ingeschreven met een eigen programma voor het versterken van het Spaans.

Aanbod
Dit aanbod breidt men uit naar andere leerlingen met weekend-cursussen, examens en diploma’s, waarbij vooral de DELE’s van het Cervantes Instituut voorop staan, hoewel men ook gebruik maakt van programma’s zoals Microsoft Office Specialist en de ESOL-certificaten Engels van de Universiteit Cambridge.  

De cursussen voor certificaten Microsoft Office Specialis en ESOL-Engels, evenals de Europese aanpassing en universitaire accreditaties, gaan van start met prijzen van ongeveer €145,=

Voorlichtingsdagen

In de maand februari vinden bovendien programma’s plaats in het kader van de III Jornadas de Orientación Laboral y Profesional (het Derde Seminar voor Oriëntatie op de Beroepsopleiding); en de presentatie van het aanbod in Ciclos Superiores de FP (Formación Profesional)(Cycli voor de Hogere Beroepsopleiding).
1-AAAAislas-canarias-85.jpg


De taal van de Guanchen
zou weer gesproken kunnen gaan worden

CANARISCHE EIALANDEN - woensdag  7 november 2013 - Zes eeuwen na het verdwijnen ervan, is een professor in de Berber-taal, van de Universiteit van Cádiz, van mening, dat dit afhangt van de overheden.

Het Guanche, de van oorsprong Berber-taal die de oerbewoners van de Canarische Eilanden leken te spreken voor de Spaanse verovering in de 15de Eeuw, is een dode taal; maar niet als de bevolking en de overheden deze taal - zes eeuwen na de veronderstelde verdwijning ervan - opnieuw gaan gebruiken. Het Guanche is waarschijnlijk een afgeleide van het Amazigh, dat men sprak op de Canarische Eilanden, en wat met de komst van de Spanjaarden langzamerhand verdwenen is, zoals in Latijns Amerika is gebeurd met de Indianentalen, zo legt de Berber-deskundige van de Universiteit van Cádiz, Mohand Tilmaltine, uit.

De vermeende uitroeiing van de inheemse bevolking, het feit, dat het gesproken werd door een, over  eilanden versnipperde bevolking en de kracht van de geschreven taal, het Spaans, hebben bijgedragen aan het verdwijnen van het Guanche; een voornamelijk gesproken taal, zo benadrukt de professor na deelname aan een conferentie op Tenerife over Arabische dialecten.

Eveneens zou er op Canarias geen sterke staat geweest zijn die deze taal ondersteunde en die streed tegen het opleggen van de taal, cultuur en religie van de Spanjaarden, wat maakte, dat het Guanche een verdwenen taal is “ wat niet betekent, dat deze voor altijd dood is,” geeft Tilmantine aan.

De deskundige - die verdedigt, dat een taal dat is wat de sprekers ervan maken - toont zich verrast door de weinige kennis van het Berber op Canarias, waar bijvoorbeeld geen Guanche-instituut is voor Canarische studies..

Als er interesse zou bestaan, zou er met het Guanche hetzelfde kunnen gebeuren als met het Maltees, een in de 16de Eeuw op Malta verdwenen taal die men in de jaren 60 hersteld heeft en die tegenwoordig de officiële taal is van het land en in de Europese Unie, zo merkt de deskundige op.

Iets soortgelijks is gebeurd met het Hebreeuws, een taal die ook verondersteld werd dood te zijn; die hersteld is in Israël en nu de officiële taal is in dat land.

De realiteit op Canarias is echter geheel anders en momenteel onderwijst men geen Berber en ook niet op de scholen. Dit, in tegenstelling tot Catalonië, waar sinds 2006 een onderwijsproject bestaat voor het berbers op diverse openbare scholen waar veel leerlingen van Noord-Afrikaanse herkomst aanwezig zijn

De professor is van mening, dat dit ‘maar raar’ is op Canarias, waar klaarblijkelijk Berber werd gesproken en waar geen interesse bestaat om de taal te leren die de moedertaal is van miljoenen personen in zulke verschillende landen als Egypte, Tunesië, Libië, Algerije, Marokko, Mauritanië, Mali, Niger en Burkina Faso.

Naar zijn mening begint op de Canarische Eilanden zich het idee te ontwikkelen van een eigen identiteit en sommige groeperingen zetten zich in, om zich te ontdoen van een soort vernislaag van uitsluitend Spaanse cultuur,” die de ontwikkeling verhindert van bepaalde facetten van de lokale identiteit en ook het kijken naar Afrika.

Volgens de professor is de rol van de Berbert-aal steeds belangrijker, omdat die vergezeld  gaat door een leken/beweging ten gunste van taalkundige en religieuze diversiteit die zich verzet tegen de Islam.

In Marokko spreekt 28% van de bevolking Berbers, aldus de Marokkaanse Regering, maar volgens militanten is dit 40 tot 60%. Een taal, die in Algerije gebruikt wordt door 20% van de bevolking.’

Sinds 2011 is het Berbers in Marokko een officiële taal, terwijl het in Algerije, Mali en Niger de nationale taal is.

In Libië en Algerije zal het Berbers binnenkort de officiële taal zijn, voorspelt de deskundige, die aangeeft, dat er in Melilla sinds de jaren negentig sociale bewegingen zijn die het Berbers als lokale taal erkennen.
1-AAAAislas-canarias-85.jpg


Spaans voor kinderen

Dat gebeurt gedurende 25 woensdagmiddagen op basisschool 'Trudo' aan de Sint Trudostraat 10. De lessen duren van 14.00 tot 15.00 uur.
Er is een lesgroep van 4 tot 6 jarigen en een voor 7 tot 12 jarigen. Beide klassen tellen maximaal 15 leerlingen.


Woensdagmiddag 21 augustus 2013 is er tussen 12.15 en 15.00 uur open dag voor dit Spaanse onderwijsproject.
1-AAAAislas-canarias-85.jpg


 Engels wint terrein in Canarische schoolklassen
Inzet voor tweetaligheid

CANARISCHE EILANDEN - donderdag 11 juli 2013 - Canarische leerlingen hebben een resultaat van 91,01% behaald in de examens Engels van het Trinity College.

Het Ministerie van Onderwijs, Universiteiten en Duurzaamheid ontwikkelt al jaren meertalig onderwijs in de Canarische klaslokalen. Voorbeeld daarvan in de invoering van het CLIL-programma (Content Language Integrated Learning), een Europees project wat in 2003 is gestart en gericht is op de gehele Europese Unie met dit tweetalig programma. Canarias doet sinds vijf jaar mee met dit project en heeft uitstekende resultaten geoogst. (Zie:
trinitycollegelpagc_large.jpg

De leerlingen die hebben deelgenomen aan de tweetalige programma’s in de diverse openbare scholen hebben een slagingspercentage van 91,01%  behaald bij de examens Engels die zijn georganiseerd door het Trinity College
(zie: https://sites.google.com/site/trinitycollegelaspalmas).
Dat is een vaardigheids- notering die overeenkomt met de niveaus B1 en B2 in het kader van het gemeenschappelijke Europese raamwerk.
slide-1-728_large.jpgclil-cloud-mh-e1323675868205-53727-462x298_large.jpg

Het CLIL-programma richt zich op het leren van buitenlandse talen via algemene schoolvakken, zoals geschiedenis, of rekenen. “Dit brengt met een heel diverse inhoud de leerlingen een vloeiende spreekvaardigheid bij,” zo heeft de vicepresident van de Canarische Regering en en minister van Educación, Universidades y Sostenibilidad, José Miguel Pérez, van de Canarische regering, aangegeven.
201212191924-43021000-grande_large.jpg
Ruim 400 Canarische onderwijsinstellingen hebben zich vrijwillig aangesloten bij dit project, waarbij diverse scholvakken worden onderwezen in de Engelse taal. De deelnemende leerlingen zijn vanaf het primaria (basisonderwijs) tot en met het Bachillerato ingedeeld naar leeftijd. Hoewel men het examenniveau uitsluitend heeft aangeboden aan leerlingen van het vierde jaar ESO (Educación Secundaria Obligatoria = Verplicht Voorgezet Onderwijs) tot en met het Bachillerato (Vooropleiding voor Universiteit en Hogere Beroepsopleidingen).
60-primary-clil_large.jpg

Van de 19.700 leerlingen die dit programma volgen, hebben er 1.299 vrijwillig aan het examen deelgenomen, van wie er 1.175 dit met succes hebben afgelegd; wat voor de minister van Onderwijs, “hoge positieve resultaten zijn,” omdat dit neerkomt op 91,01% geslaagden.
jose-miguel-perez_large.jpg

De vicepresident en minister van Onderwijs heeft zijn erkenning willen uitspreken voor het succes van dit programma gedurende de vijf jaar dat het nu draait, en zijn speciale dank gaat uit naar de onderwijsinstellingen en leerlingen die vrijwillig hebben deelgenomen aan het CLIL-programma.

Momenteel is het doel een groter aanbod van deze programma’s te verwezenlijken. Daartoe ontwikkelt men opleidingscursussen voor docenten, want het is essentieel, dat men een gevorderd niveau Engels bereikt, voor de geleidelijke tenuitvoerlegging van tweetalig onderwijs op de Canarische scholen.

De tweetalige project, ondersteund door het Ministerie van Onderwijs, Universiteiten en Duurzaamheid , “is een van de meest opmerkelijke prestaties van ons onderwijssysteem," heeft Jose Miguel Perez gezegd.
http://media.taalunieversum.org/hsnbundel/download/26/hsnbundel-26_1144.pdf)
1-AAAAislas-canarias-85.jpg
 


Het voortbestaan van de officiële taal-instituten?

LAS PALMAS DE GRAN CANARIA - woensdag 25 juli 2012 - Terwijl het Ministerie  bevestigt, dat men de officiële taalinstituten niet zal ontmantelen, waarschuwen de vakbonden, dat de maatregelen welke de Spaanse Regering gaat goedkeuren een eerste stap lijken te zijn op de weg naar privatisering van de taalopleidingen.

Het conflict is begonnen toen de minister van onderwijs, José Ignacio Wert, op  dinsdag  24 juli 2012 de basislijnen van het project  te kennen heeft gegeven van het voornemen voor het uitvaardigen van een Koninklijk Besluit, dat is gepresenteerd aan de Consejo Escolar del Estado (Schooladviesraad van de Staat).


Silvia Rodríguez en Valérie Amram poseren bij de ingang van het EOI Fernando Guanarteme. Beiden zijn uiterst bezorgd.

Het document bevat een wetswijziging die toestaat, dat de schoolbesturen de leraren die les geven op de Escuelas Oficiales de Idiomas (EOIs) (Officiële Taalinstituten) overgeplaatst kunnen worden naar scholen in het Secundaria (Voortgezet-), Bachillerato (Middelbaar-)  en Formación Profesional (Beroepsonderwijs).

De onderwijsvakbond STEC-IC, heeft zich tegenstander van deze maatregel verklaard, omdat het een eerste stap is van de verdwijning van de gratis leerplicht.

“Men wil tijdelijke leerkrachten in het Voortgezet- Beroeps- en Middelbaar onderwijs ontslaan en deze vervangen door leerkrachten  van de EOIs.

Zo bespaart men de handhaving van deze intituten uit, om ze vervolgens - in de toekomst - te privatiseren,”  zo zegt Silvia Rodríguez uit, die lerares is en lid van de vakbond Stec-Ic. Ze voegt hier aan toe, “dat men de inschrijfgelden verhoogt, en wat we van de Canarische Regering  vragen is, deze maatregelen niet toe te kennen en zich ertegen te  verzetten, omdat men hen geen bevoegdheden  op dit terrein ontbneemt, “ zo laat de lerares weten.

Maar deze versie lijkt in strijd met die van het Ministerie van Onderwijs, dat via een officiële woordvoerder laat weten, “dat men geen enkele Escuela Oficial de Idiomas (Officiële School voor Taalonderricht) zal ontmantelen en,  dat het enige wat men voorstelt is, dat de leerkrachten  overgeplaatst kunnen worden, als zij dit willen, naar bepaalde instellingen. Men zal hen deze kans bieden en het zal een eigen keuze van hen zijn,” zo verduidelijkt men.
1-AAAAislas-canarias-85.jpg 


Sobre los ataques a Canarias
en los siglos XVI-XVII
 

Het verhaal van en over o.a.  Pieter van der Does, maar hier - voor de goed geïntegreerde Nederlandssprekenden -  geheel in het Castellano (Spaans):

Bueno esta es una pequeña reseña sobre los ataques a Canarias en estos siglos, antes del ataque de Nelson que es muy conocido...

1.- Raleigh en las Islas Canarias. Restauración de las fortalezas. Ataque de Francis Drake.
Los meses que precedieron al año de 1595 fueron de una inusitada actividad naval. Por el número de buques corsarios y de las acciones que ellos y contra ellos se realizaban. En efecto las Canarias serán consideradas como punto de abastecimiento de los piratas para sus actividades y por otro lado para cabeza de puente para el nuevo mundo (esto lo abordaremos en el capítulo de técnica naval). De estos ataques destacan dos por su notoria significación: uno el ataque de un navío pirata inglés al puerto de la Luz, y su captura posterior a cargo del capitán Antonio Lorenzo. Viera Y Clavijo añade lo siguiente al respecto:
Un bajel de guerra enemigo, sorprende el puerto de la luz en el mismo año de 1595 y saca otro navío que estaba allí cargado para la América. Sábelo Antonio Lorenzo; toma otra embarcación que había lista; sigue al enemigo; acométele; ríndele valerosamente y quitándole la presa, la vuelve al puerto con merecido aplauso.
Tercio-2.jpg
Respecto a otras incursiones estas no tuvieron tanta suerte para los canarios. Nos referimos en primer lugar a Walter Raleigh el que sería luego socio de aventuras de Sir Francis Drake obtenido este título por su servicio y circunvalar el globo con su navío. Este Raleigh tiene varias facetas: Explorador, soldado, pirata, cortesano, parlamentario, poeta, historiador e incluso químico. Este hombre en parte resume el espíritu inquieto de su época y de escepticismo científico. La vida de este hombre es bastante interesante típica de hombres activos.

Nace en Devonshire, luego tras su infancia ingresa en Oxford para iniciar su carrera de letras pero la abandona para ingresar en las armas. De una vida mas inquieta estaba claro que nuestro hombre tenía vocación aventurera a pesar de que por aquel entonces ya existían armas literarias. En 1569 lo vemos al lado de los hugonotes franceses luchando en las guerras de religión y más tarde con su hermano en empresas piráticas pero con resultados poco esperanzadores. Raleigh entonces cambia de ambiente para irse a la corte y obtener de la reina el ansiado favor real que le abriría nuevos horizontes. En efecto en 1582 le dan primeros cargos y en el 87 cristalizan en capitán de la guardia. Mientras no había estado ocioso en el 83 sufraga una expedición a Terranova en la que murió su hermano, otra expedición en 1584 y una más en 1585 una expedición colonizadora. Pero la fortuna no es eterna y hacia 1586 su suerte comienza a declinar y vencido su temperamento frente a una mujer la corteja y termina en la prisión de Londres.

En 1594 se prepara para una expedición importante a la Guayana. Todo esto venía dado por las fantásticas noticias que del Dorado hacían los españoles y sobre esto Antonio Berrio por las márgenes del Orinoco. Olvidaronse las desventuras de Orellana y se hizo una nueva pléyade de aventureros. Raleigh que se encontraba en una situación económica desfavorable decidió embarcarse en esta aventura acuciado por los resultados. Debido a una acción pirática se apodera de unos derroteros de la costa y unos planos de navegación de una flota de la Guayana. Se envió una expedición de reconocimiento al lugar para inspeccionar la desembocadura y volvió en los últimos días del año de 1594. La flota de cinco navíos zarpó hacia Canarias. Era el seis de febrero de 1595 al zarpar dos navíos quedaron rezagados. (Esto era bastante frecuente por el tonelaje diferente y sus cualidades marineras). Los esperó durante seis días y a continuación se dedicó a un saqueo. Para empezar se dirigió a Tenerife y tras vagar sin rumbo atacó un puerto. Luego fijó rumbo hacia Fuerteventura por considerarla desprotegida y desembarco en un lugar desconocido donde hizo aguada, robó ganado para sus víveres y luego finalmente apresó un navío flamenco de vino que venía muy bien para los hombres y otro español que contenía armas para las milicias con todo esto se dio por contento y cansado de esperar a los navíos desapareció de las islas hacia finales de febrero de 1595. La expedición de la Guayana no supuso lo que el había soñado pues el dorado que parecía tan material era a la vez inalcanzable por existir solo en la mente de los hombres. Raleigh no obstante para compensar los gastos incendió varias poblaciones y ciudades y hacia el agosto de 1595 ya estaba de regreso en Inglaterra.

Mientras esto sucedía, en Gran Canaria el 3 de abril de 1595 don Alonso de Alvarado Tomaba posesión de su cargo. Soldado y gobernador este hombre conocía la debilidad de las defensas de la isla y se apresuró a realizar una visita e inspección de las fortalezas de la isla, le acompañaba además Próspero Casola ingeniero que sería testigo además del posterior ataque de Francis Drake. Sobre la visita se vio que las fortalezas estaban deterioradas y pendientes de varias reparaciones y a Casola se le encargó la reparación de las mismas. La fortaleza de las isletas tenía un parapeto que estaba arruinado y hubo que además reparar la plaza y enclavar cañones y reparar los que estaban en mal estado. La plaza del castillo de Santa Ana estaba arruinada por las grietas por las cuales penetraba el agua del mar y además inundaba la plaza de armas. Se hizo la reparación con gran celeridad y en la torre de San Pedro se puso un parapeto en su fortaleza con gran celeridad. Todas las reparaciones cayeron sobre la responsabilidad del ingeniero militar Próspero Casola y sobre el maestro de obras Andrés Luzero. Luego Alonso Alvarado hacía paras revista a las tropas de la isla que constaba de cuatro compañías de la ciudad, las compañías de la Vega, Teror, Arucas, Guía y Galdar y luego las cuatro compañías de Telde y Agüimes. Este desfile militar y revisión de tropas se llevó a cabo en la más estricta marcialidad y demostraban que la isla se encontraba en alerta frente a las incursiones piráticas de los moros e ingleses.

Un típico aviso de este estado lo constituyó el de Alonso Pérez de Guzmán el Bueno y Sotomayor, VII duque de Medina Sidonia que había estado al mando de la tristemente célebre invencible. El aviso decía que varias galeotas salían de Salé para atacar las islas. Dado la popularidad del pirata morisco se aprestaron rápidamente una serie de medidas para evitar lo que dos años antes había pasado en Fuerteventura. El dispositivo de seguridad se reforzó con una serie de vigías y atalayas y guardias nocturnas y un reforzamiento que Alvarado consideró necesario de la guarnición de los castillos. Aparte se ordenó abastecer las dotaciones con bizcocho, pan, agua, las municiones, pólvora y la cuerda, (ya hablaremos de esto en el capítulo de técnica naval). Coincidiendo con estos aprestos hizo aparición la escuadra de la flota de indias que iba a Las Palmas y que quedaron todos tranquilos al ver la inmensidad y potencia. Próspero Casola fue además enviado a Fuerteventura para establecer una relación de lo que había que hacer con respecto a las fortificaciones. Sin embargo como sucedía muchas veces los servicios de espionaje estaban eq1uivocados y el temible pirata no tenía claro el ataque. No obstante esta situación acrecentó la ansiedad de los isleños ante un posible ataque. No fueron de todas formas fallidos los sistemas de fortificación ya que se las tendrían que ver con dos enemigos de gran talla: Drake y Hawkins.

2.- Los preparativos de la Expedición
La expedición que Hawkins y Drake preparaban para América sería la última y canarias por su elevada posición estratégica era la cabeza de puente pues por razones de avituallamiento los víveres de Inglaterra no soportaban el viaje. Canarias era el puerto de aprovisionamiento. Hawkins desde 1572 comenzó a tener un modo de vida diferente respecto a sus hazañas y ahora dirigía su vida hacia un aspecto más burocrático de la armada. En 1573 es ascendido a tesorero y su vida da un giro. Desde su puesto comenzó una serie de reformas para comenzar una nueva flota en cuanto a prestaciones, velocidad y sobre todo el alcance de tiro. No solo eso además redujo los gastos superfluos y dio severas órdenes sobre el modo de estar de la marinería y su comportamiento. Todo ello se plasmó en un ambicioso programa de construcción naval, de reformas en los estatutos de la marina y de disciplina.

Esto chocó con sus homólogos pues estaba decidido a hacer de la armada un arma poderosa. La futura Royal Navy estaba servida. En 1585 abandona su despacho para tomar cargo de almirante y conjurar el peligro que desde España le amenazaba, era la llamada invencible al mando del duque de Medina Sidonia, tras un combate en el que la armada se disperso y afrontó la llegada a España por el mar del norte bajando por el canal de la mancha el poco conocimiento, la mala situación de los navíos y el mar la convirtieron en un desastre ante el cual Felipe II dijo la ya famosa frase «Yo mandé la armada a luchar contra los hombres no contra los elementos». Tras esto Hawkins fue nombrado caballero y se mantuvo al frente. En 1590 vuelve a abandonar su puesto y se pone al mando de otra escuadra para combatir a los españoles y asolar las costas peninsulares.

Entre otras acciones destaca el intento de adueñarse de la flota de la plata pero los galeones avisados no zarparon. Se tuvo que volver a casa con las manos vacías. El otro suceso fue la captura de su hijo a manos de los españoles. Este se imaginaba las más horrendas torturas sobre su hijo pero lo cierto es que vivía a cuerpo de rey mantenido por el gobernador y agasajado por el virrey y en su propia casa. Hawkins pensando que estaba en una prisión decidió hacerse a la mar para rescatar a su hijo de las “torturas” a las que estaba siendo sometido. La iniciativa de la Expedición corrió a cargo de Drake a título personal. La excusa para la reina fue un principio religioso contra el catolicismo de España representante máximo del mismo que daba un odio muy intenso. A pesar de que Drake había tenido varias desdichas sobre los viajes anteriores la reina le otorgó la confianza pero con la condición de que Hawkins estuviera en la misma. El pueblo rápidamente al tener constancia de la expedición se volcó en toda la ayuda que la reina Isabel les pidió. Pudo disponer de un fuerte contingente de buques del cual dos de ellos eran de nueva construcción. La flota en total tenía 27 buques. La expedición tenía además dos misiones una marítima y otra terrestre. Su objetivo último era la conquista de Panamá con lo cual si se considera el transito por las canarias este no era un motivo de preocupación para los dos hombres pues la escuadra dispondría además de una poderosa infantería al mando de Sir Thomas Baskerville. El 25 de enero 1595 se avisaba de una leva general para las tripulaciones y compañías y se apuntó tanta gente que incluso hubo que rechazar a muchos de los apuntados. No obstante el apresto de los mismos fue bastante lento. Esto favoreció que la flota de nueva España arribara sin ningún problema a Sanlúcar de Barrameda.

Por otro lado unas operaciones de esta magnitud no podían pasar de lado para los espías que España tenía apostados en sus ambientes diplomáticos. En efecto en febrero de 1595 el Gobernador de Blavet comunicaba urgentemente que se estaban realizando preparativos en Plymouth para un ataque inminente y que estaba además al cargo de Francis Drake.

Estos avisos se repetirían en más ocasiones en tanto que la concentración y actividad naval estuvo vigilada por Don Diego Brochero al cargo de sus galeras. En efecto era como si de un tablero de ajedrez se tratara y ambas potencias se dispusieran a mover fichas. Cuando los preparativos tocaban ya a su fin se conoció los planes de España en cuanto a contramedidas y la reina aprestó a sus almirantes para evitar sorpresas. No obstante las más variadas noticias recogían los espías sobre una escuadra presta a desembarcar en Inglaterra y otra escuadra se iba a América a defender las costas. No obstante nada de esto era verdad y lo cierto es que salvo un ataque de 4 galeras a las costas inglesas no hubo más. Por otro lado por las noticias de los prisioneros españoles se dio a conocer la noticia de que la escuadra del Capitán General Pardo Orosio había sido sorprendida por una tormenta que la había relegado al puerto de San Juan de Puerto Rico y había desembarcado 2 millones y medio de pesos. A pesar de esto la escuadra no estaba lista para zarpar pues el avituallamiento era lento.

Por fin al cabo de un mes la escuadra zarpaba el 7 de septiembre de 1595 con 27 buques en total y 2500 hombres. Respecto al gobierno de la escuadra recaía sobre ambos almirantes y que el cuartel general estaba alternativamente entre los dos navíos almirantes. No obstante dada la diferencia de edad y de temperamento la oficialidad miraba ansiosa los encuentros de ambos almirantes de ideas tan distintas cuyos conflictos no tardarían en tener lugar. Estas ocasiones comenzarían cuando después de zarpar y los navíos se hallaban a 70 leguas se discutía la ruta de la escuadra. Drake tomo la oportunidad de decir que había tomado a más hombres de lo necesario lo que disminuía la cantidad de víveres. Con este motivo se pidió ayuda pero dado que los víveres para la expedición estaban racionados en los barcos la facción de Drake comenzó a tener problemas de abastecimiento. Es aquí donde las islas del archipiélago de pura casualidad de estos 300 hombres destacados se verían inmersas en un ataque pirático. En efecto Drake propuso dos semanas mas tarde debido a la escasez de víveres que la escuadra se desviase de su ruta inicial sin escalas a las islas madera o bien las canarias. La provisión se realizaría mediante un desembarco armado para aguantar hasta cargar los navíos. El que se puso de su lado fue Baskerville que no opuso resistencia pues conocía la capacidad de su tropa. Esto tenía una doble intención que era obtener un botín y levantar la moral de los hombres. Hawkins hombre previsor no deseaba alterar el rumbo pues pensaba que la expedición corría peligro pero el problema de los abastecimientos eran acuciantes pues los hombres de mas consumían los víveres con gran celeridad y por otro lado la aparición de los buques podría poner sobre aviso a las colonias y peligrar el factor sorpresa. Uno y otro abogaban por sus decisiones y mientras los buques seguían su itinerario marcado. Thomas Baskerville actuó de conciliador sobre los dos hombres y se dispuso una reunión conciliadora. La suerte estaba echada y Las Palmas sería el escenario bélico.
zafarrancho.jpg
3.- La escuadra en Las Palmas. Orden de Zafarrancho
Thomas Baskerville como dijimos había sido el artífice de la reconciliación tras una pequeña ruptura de ambos almirantes. 24 horas más tarde mientras cenaban se decidió el ataque a las canarias. Drake propuso entonces el ataque a Gran Canaria mientras los ánimos subían y Baskerville decía sobre la posibilidad de apoderarse de la ciudad inclusive. Esto se calculó aproximadamente en 4 horas la conquista de las Palmas. La escuadra mientras navegaba por las aguas no solo lo hacia las islas canarias sino también hacia la historia. Tras varias modificaciones de la derrota los buques divisaban las islas desde las amuradas de proa, contorneaban Lanzarote y Fuerteventura por el canal de la Bocaina y daba finalmente frente a la enhiesta y oscura forma de Gran Canaria cuyas pétreas formas se recortaban contra la bóveda celeste con las primeras luces del día 6 de octubre de 1595.

¿Qué pasaba en la isla? En realidad en la isla no se habían recibido avisos sobre la escuadra combinada pues se pensaba que esta llegaba sin escalas a las colonias como se suponía. De forma general se había dispuesto su defensa y no contra esta en particular sino contra los ataques en general. De hecho la ciudad estaba entregada al sueño pues la estación del estío terminaba y la llegada del invierno estaba bien recibida por la poca frecuencia de ataques en esos meses y todo era sosiego en la entonces ciudad más importante del archipiélago canario. La mañana al parecer estaba brumosa y un fino aguacero mojaba la tierra. Los primeros jornaleros que iban a los campos contemplaron una hoguera coronada por un penacho de humo que ascendía de del monte de la Atalaya.

Era señal convenida para una escuadra de más de cinco velas. Se comenzó a desconfiar de la presencia de la escuadra al no haberse recibido noticias de que hubiera en ruta alguna flota regular. La fortaleza principal de las isletas haciéndose cargo del mensaje disparó un fuerte cañonazo que vino a despertar a la ciudad y cuyo eco se dejo sentir por los pueblos cercanos. Todas las personas inmediatas a la defensa se pusieron en movimiento. El primero fue Antonio Lorenzo que avisó a Alvarado de la gravedad de la situación y el cual ya estaba preparándose. Mientras el sargento mayor y el cabo de escuadra se presentaban en casa de Alvarado y se dio orden de reunirse con el resto de las tropas en la plaza mayor de Santa Ana.

Alvarado una vez que estuvo ensillada su montura partió hacia las isletas en cuyo extremo oriental llamado el Golfete comenzaban a aparecer los primeros navíos. Se topó con un emisario llamado Francisco Hernández que le traía noticias de que se había visto una formación de 17 o 18 navíos. Alvarado le dijo que continuase hacia la ciudad y una vez allí le dijese al Teniente Antonio Pamochamoso tocase campana y que se reuniesen en los arenales de Santa Catalina en espera de orden portando la artillería. Al poco rato llegaba a la fortaleza de las Isletas y que habían sido enviados dos marineros para comprobar la formación. Los dos marineros dijeron que habían visto una formación de 28 navíos y galeones de gran porte y las lanchas auxiliares y que se confirmaba eran enemigos por el intento de atrapar una lancha de pesca que se dirigía a puerto. Si bien se confirmaba que era una escuadra enemiga se desconocía su nacionalidad pero era la opinión general de que era inglesa como más tarde se comprobó.

Teniendo Alvarado temor de que la fortaleza cayera a manos enemigas mandó cerrar la fortaleza ordenando que solo se abrirían las puertas para el material de guerra pedido junto con la guarnición pertinente. Respecto a la escuadra ajena a los preparativos de tierra había entrado ya en el Golfete y todas ellas alineadas en formación de combate paralelas a la costa y en sitio donde la artillería de la fortaleza no la podía alcanzar. Se notaba gran actividad dentro de las naves pero nada de desembarco si bien parecía que Drake podría intentar el desembarco por el Golfete. Alvarado conocedor de los hábitos de lucha de los canarios y de su propia gente había resuelto el combate fuera de la ciudad impidiendo el arribo de la marina del enemigo. Respecto a los canarios estos no luchaban en escuadrones sino en tropa acometiendo al enemigo cuando quiere saltar y no estando disciplinada por no ser gente de guerra. Por el otro lado Alvarado conocedor de sus fuerzas sabía que poco podría hacer frente al grueso de la escuadra formado y dispuesto para el combate. Como de momento urgía la defensa del Golfete fue enviado un destacamento de 60 o 70 soldados para que remitiesen informes sobre los movimientos e intenciones de la escuadra.

Entre las diez una carabela pequeña y una lancha en la que iba Francis Drake comenzaron a reconocer el puerto y la caleta de Santa Catalina y desde la lancha se comenzó a sondear el puerto con objeto de un desembarco delimitando un canal con boyas. Luego la lancha se fue hacia la escuadra en tanto que la carabela seguía su reconocimiento hasta la Caleta de San Pedro.

Todo esto fue visto desde tierra y rápidamente se envió una barca para que quitase las boyas para evitar el desembarco. Si bien para cuando quisieron hacerlo los ingleses que no habían permanecido ociosos comenzaron ya a amenazar la bahía. Todas estas maniobras fueron aprovechadas para aumentar el grueso de los castillos de acuerdo con las instrucciones de Alvarado. En las isletas llegaba el contingente esperado con 18 hombres del presidio y cuerda para los cañones así como tres quintales de pólvora. El castillo de Santa Ana vio reforzada su guarnición con otros soldados del presidio.

En la ciudad cuando hacía su entrada Francisco Hernández había gran actividad y los soldados marchaban por las calles con las compañías y los arcabuces. Los bueyes arrastraban las pesadas piezas de campaña que eran de bronce y todas las compañías desembocaban en la plaza principal de acuerdo con las órdenes de Alvarado. Luego el teniente Pamochamoso y el sargento mayor fueron a la audiencia para dar cuenta al regente y con la orden de que se tocasen las campanas de las iglesias y las compañías marcharan fuera de la muralla hacia el arenal con el objeto de impedir el desembarco de las tropas enemigas. El regente aprobó todo lo dicho y las campanas tañeron por última vez para llamar a sus moradores a defender la ciudad. La desbandada de la ciudad fue evidente sobre todo en las mujeres y los niños que procedieron a evacuar la misma sin orden ni concierto. Pamochamoso dio un bando al cual se exhortaba a permanecer en la ciudad so pena de vida. No contento Pamochamoso con esto intentó sosegar los ánimos de las mujeres diciéndoles que no abandonasen sus casas y les dio palabras de consuelo. Finalmente repartidas ya entre las compañías la cuerda y munición necesaria para todo el ataque y formaron escuadrón para ser prestos en combate. La única escuadra que quedó en la caleta de Santa Ana era la que comandaba Juan Martel Peraza de Ayala que recibió el encargo de proteger la caleta con sus hombres llamada la compañía de infantería de la gente del mar. El propio obispo además se personó hasta que Alvarado poco antes del ataque lo envió a la ciudad.
hasta aquí la primera parte

 unnamed-23.jpg

Segunda parte, que habla del ataque de Francis Drake y la defensa de la isla
4.- ¡Zafarrancho de combate!
En este momento comenzaron a tener noticias de que los navíos comenzaban a tener cierta actividad en el Golfete. En este momento se tomó una decisión bastante desconcertante en la cual en caso de desembarco de los ingleses las tropas procederían a replegarse en la muralla de la ciudad para hacerles frente. Convencidos de la inviolabilidad de la muralla el regente Antonio Arias al cual Alvarado conocía bastante bien en su faceta incompetente se decidió a replegar en caso de desembarco a las tropas hacia la muralla aconsejado probablemente por los oidores de la audiencia los cuales todos ellos se habían reunido con gran sigilo en una de las salas y que después de varias disertaciones hubo quórum y decidieron que las tropas apostadas en la muralla recibieron orden del secretario Hernando Rosas de impedir que las susodichas tropas se apartaran de la muralla incluyendo las piezas de artillería.

En este momento Alvarado recibía noticias de que las tropas avanzaban hacia el arenal pero aún no habían desembarcado. Pamochamoso entonces preguntó a Alvarado los planes pero este contesto que se replegarían hacia la muralla. Otra vez llegaron noticias del Golfete sobre los pormenores de la situación y dieron que el enemigo estaba embarcando en las lanchas de desembarco a la infantería. Alvarado entonces decidió que Pamochamoso se quedase al cargo de la ciudad mientras Al capitán Peraza de Ayala que se incorporara con el grueso de las tropas a la defensa de la ciudad ya que antes habían sido emplazados el y su compañía en la caleta de Santa Ana y al resto de sus capitanes que se subieran a lo alto del cerro de San Francisco para que vieran los ingleses que estaba bien defendido. Para defender la caleta escogió finalmente al capitán Baltasar de Armas por la confianza que tenía en el y por el gran adiestramiento de sus tropas tanto en el manejo de la artillería como en el de las tácticas de defensa. Este se dirigió entonces a la caleta de Santa Catalina con lo mejor de su destacamento listo para defenderla. Entonces cuando habían andado un buen trecho les apareció el secretario de la audiencia con las órdenes de que no prosiguieran y les requisó las piezas de artillería que poseían diciendo que el regente le había dado ordenes tajantes que se debían cumplir. Enterado de este episodio Alvarado, se personó con Próspero Casola para terciar la situación y tras hablar con el secretario le devolvieron los cañones al capitán y dio orden tajante de proseguir en ruta hacia su destino.

El capitán de Armas ordenó entonces que sus tropas cargasen los arcabuces y mosquetes y comenzaron a atrincherarse para protegerse de la carga de los asaltantes. Las armas de campaña llegaron cuando ya el enemigo estaba a tiro de mosquete. En aquel momento las naves que habían echado el ancla frente al roque limpiaban las ánimas de los cañones con fuertes detonaciones para luego limpiar las impurezas y dejar el ánima limpia para el combate mediante los escobones que retiraban los desechos de la pólvora adheridos al interior del cañón. En aquel momento 15 naves de las más ligeras comenzaban a moverse adornados con vistosos gallardetes que daban cobijo a 25 lanchas de desembarco con 1400 arcabuceros al mando de Thomas Baskerville. El resto de los hombres de la compañía esperaban ser desembarcados de los navíos cuando la zona fuera segura. Los navíos viraron hacia el puerto y Alvarado entonces dio orden de dirigirse a la playa para proteger el puerto.

La gente del cerro corría ya para proteger la posición abandonando la anterior sin orden ni concierto y con las piezas de artillería tirada por los bueyes que eran picados constantemente para aligerar el paso. Según se cuenta los bueyes cogieron tal velocidad que parecían caballos y llegaron al lugar con gran asombro de los que allí estaban. Los oidores y regentes se personaron en la playa para entorpecer la defensa de acuerdo con el plan suyo estipulado de dejar desembarcar a los ingleses y replegarse a la muralla pero los canarios bastante tercos se mostraban reacios a abandonar las posiciones y estos se quedaron atrincherados aguardando al enemigo y a defender la tierra y morir por ella si era necesario. En ese preciso momento de los Roques se oyó una fuerte detonación y una nube blanca se elevó de la escuadra: había comenzado el ataque eran las 12 de la mañana. Los navíos entonces abrieron fuego en andanadas sobre la gente de la playa para dispersarla pero sin causarles daño.

Los canarios se animaron y las piezas de artillería del capitán Armas respondieron al fuego enemigo. Alvarado entonces a pecho descubierto y con la espada en alto animaba a sus compañeros llamándolos a la lucha. Animados por el arrojo de Alvarado y su capitán Baltasar de Armas comenzaron entonces a disparar los mosquetes y arcabuces para impedir el desembarco. Mientras esto pasaba la fortaleza principal entró en juego con sus nueve bocas que constaban en dos culebrinas, dos culebrinas bastardas, un medio sacre y cuatro cañones de batir. Sin embargo la impasibilidad de su capitán le quitó el honor de hundir algún galeón en la rada. Pues quiso reservar los tiros para mas graves ocasiones. Las lanchas que se acercaban a la playa en intención de desembarco disparaban su munición pero eran repelidas por la acción de los arcabuceros y los cañones por lo cual tuvieron que regresar a los barcos para dejar los heridos y buscar refuerzos. Los buques daban un cañoneo fuerte pero ni por esas los defensores se movían de las trincheras. Por tres veces intentaron el desembarco y por tres veces fueron rechazados. El cronista Cabrera de Córdoba asegura “que pelearon los isleños con tal coraje que muchos entraron en el mar hasta llegarles el agua a los pechos para herir a sus enemigos”.

La acción de la artillería fue bastante eficaz dirigida bajo la acción del cabo Negrete disparando primero bala rasa a los navíos y luego saquillos de bala de mosquete al aproximarse las lanchas a tierra. Dando tanta mortandad que inutilizó los planes de Drake. Los navíos se acercaron entonces a la costa con tal proximidad que uno de ellos encalló y tuvo gran dificultad en ponerse a flote. La fortaleza de las Isletas vuelve a entrar en acción dando sobre uno de los tres navíos que iban en cabeza un cañonazo que destroza la aguja del timón y mata a cinco hombres causa de la metralla. Se repiten los disparos animando a los canarios y sembrando la alarma en la flota enemiga. Pero volvió a quedar en extraño silencio pues Cairasco de Figueroa obsesionado por un largo asedio hacia economizar la pólvora como si fuera oro y por mas el devanamiento de seso de sus artilleros el hombre no daba su brazo a torcer y no quería sembrar la rada de plomo que habría supuesto una hecatombe sobre los navíos ingleses. Se dice que cargaba todas las piezas una vez descargadas sin que ninguna estuviera vacía y tenía un barril de reserva en la fortaleza, las piezas salieron nuevas del combate y con gran reserva de pólvora.

En esto el alcaide economizaba tanto la pólvora que se perdió la ocasión de echar a pique gran numero de barcos cuando estos pasaron por junto la fortaleza. La conducta de Cairasco tendría más tarde una seria censura por todos los ámbitos de la isla. Mientras el castillo principal acallaba sus cañones para desesperación de sus artilleros los defensores de la playa solo contaban con la artillería principal pues los otros dos castillos estaban bastante alejados. La artillería de largo alcance de Negrete hacía mella en el enemigo y en vano Thomas Baskerville y su subordinado intentaban convencer a los marineros que bogaran hacia la playa, pero cuando las lanchas estaban cerca los canarios disparaban una cortina de balas y quedaban cubiertas de heridos y muertos. En esto Drake que veía todo esto desde la cámara de popa de su navío blasfemaba y juraba que tenía que entrar a saco en la ciudad costara lo que costara mientras Hawkins hacía la vista gorda de la actitud de Drake. Ignorando los ingleses que la fortaleza Principal no entraba en acción pero que ellos tenían en cuenta y dada la cortina de fuego de la playa, los ingleses replegaron las lanchas en los barcos derivando hacia el sur. La artillería de Alvarado entró en acción mas de 30 tiros dio sobre los navíos y un saquillo de 30 balas dio en una lancha matando a su capitán y a cuatro soldados. Los cañones siguieron bramando mientras los ingleses intentaban encontrar una brecha en la defensa. La nave que había sido tocada recibió tres tiros y uno de ellos dio en la línea con gran peligro de zozobra. Los ingleses taponaron el boquete y achicaron el agua y con la creciente marea pudieron poner a salvo a duras penas a la nave. Así terminaba la primera fase.

En la ciudad comenzaron a tomarse medidas para proteger la ciudad mientras el licenciado Pamochamoso por su acción les daba vino, refrescos y municiones. El obispo y la clerecía acudieron también para ayudar a los heridos y detener a los que huían si bien esto no fue necesario pues estaban todos animados. En la caleta de Santa Ana se levantaron trincheras de tierra y estiércol protegidas con los barcos que allí había. Cuando la armada enemiga se dirigió hacia la caleta la fortaleza de Santa Ana que había estado al mando de Cairasco se dio al mando de Alonso Vanegas disparó todo lo economizado por Cairasco y sembró el pánico entre los navíos ingleses disparando mas de 30 piezas sobre los barcos en un nutrido fuego. Cuatro naves quedaron muy maltratadas, mientras que los ingleses apenas si daban sobre la ciudad. Las milicias se habían parapetado en la caleta de Triana pero sin abrir fuego pues las lanchas no quisieron desembarcar por segunda vez. Tras hora y media de combate a las dos de la tarde los 14 navíos que habían cañoneado la ciudad derivaron hacia la flota del Golfete. Luego se dispusieron en formación frente a la caleta posición que mantuvieron toda la tarde hasta que al fin derivaron todos los navíos majestuosamente hacia el sur.

Esta actitud fue tomada tras una reunión de emergencia en la cámara de derrota del Garland al que asistieron los dos almirantes y sus consejeros. Thomas Baskerville que antes de toda la trifulca había dado por optimista la conquista de la ciudad en cuatro horas ya no lo veía nada claro a tenor de los resultados y hablaba de cuatro jornadas. Pues la resistencia de los canarios y la gran defensa de la misma hacía imposible ganarla fácilmente. Hawkins que nunca estuvo a favor del ataque aconsejó a Drake que se hiciera a la mar para reponer aguada en algún punto desértico del sur de la isla para enfrentarse a las duras condiciones de la travesía del atlántico. Drake no tuvo más remedio que rendirse a las evidencias y daba finalmente orden de largar velas e izar anclas. Había acabado el ataque.

5.- Fin de la presencia de Drake en el Archipiélago
La batalla había concluido el seis de octubre de 1595. El júbilo y alegría de los canarios al ver que la maltrecha escuadra de Drake se iba fue inmenso y eso aún sin saber con quien se habían batido. Alvarado conocedor de la falta de hambre y el cansancio de las tropas ordenó al canónigo Doctor Juan de San Juan que se trajesen víveres, agua y bastimentos para los destacamentos. Pero al llegar el hombre a la ciudad aparecía desierta pues la audiencia había ordenado la evacuación de la ciudad y no quedaba víveres ni ropa para la tropa. Alvarado ordenó abrir el pósito para alimentar con bizcocho a la tropa y con el vino regalado por el obispo y los alimentos que el teniente pudo reunir. Así se paso esta noche en la más completa camadería: la compañía de santa Ana, las compañías de Telde y Agüimes, la audiencia y el regente estando además el Teniente Pamochamoso.

En las primeras horas del amanecer el 7 de octubre la playa trajo gran cantidad de desechos y tablas de madera que hacían atestiguar el daño a la escuadra. Visto además que el enemigo ya se había ido y desaparecido por completo. Alvarado entró en la ciudad triunfal al frente de sus tropas. Allí se enteró de que unos campesinos habían visto por la noche unos faroles encendidos (los fanales de popa) de la escuadra que derivaba posiblemente hacia la bahía de Gando. Alvarado dio orden de que las cuatro compañías de Telde y Agüimes se dirigieran a toda maquina con un capitán de caballos y 16 jinetes siguiendo la evolución por la costa para ver cuales eran los propósitos de la escuadra para impedir un eventual desembarco de la misma.

El domingo 8 de octubre Drake fondeaba frente a la bahía de Arguineguín a 15 leguas más o menos de la ciudad. Para Drake era imperioso hacer aguada para enfrentarse a la travesía del atlántico. Plantó una carpa y se dedico a descansar mientras 500 hombres estaban alerta. Los seis soldados de la compañía que se habían adelantado para observar los movimientos de la escuadra se les unieron pastores y campesinos que andaban escondidos valiéndose de las irregularidades del terreno esperando y al acecho. Cuando el capitán de marina Grimston se adelantó en una lancha poco mas arriba del asentamiento de Drake con diez soldados se abalanzaron sobre ellos los canarios, mataron a nueve de ellos y se quedaron con dos prisioneros. Tras la muerte del capitán amigo de Drake la audiencia tomó declaración de ellos y se tuvo información de que la escuadra inglesa había zarpado de Inglaterra hacía 30 días al mando de Hawkins y Drake, que habían ido a las canarias a saquear la isla de Gran Canaria y a apoderarse de ella, así como que habían 3000 hombres prestos para el ataque, que habían 49 bajas contando los de Arguineguín y que cinco navíos estaban dañados y quedando uno de ellos inservible. Y que el propósito era atacar los puertos antillanos. Cuando Alvarado tuvo noticias de esto mandó a la Palma y a Tenerife las noticias para que zarpase presto un barco para alertar a las islas y así la Palma primero y luego Tenerife zarparon sendos barcos de aviso para poner alerta a los puertos. A Hawkins se le cumplieron sus temores sobre el ataque pues los veloces navíos aventajaban a la escuadra de Drake. La historia le dio la razón pues los avisos con gran celeridad llegaban antes que la escuadra dando relación de lo sucedido y poniendo sobre aviso a la flota del caribe. Drake ordeno zarpar sin más demora desapareció finalmente del archipiélago.
La cuarta parte será el ataque de Van Der Does, que estaba mucho mejor planificado que el de francis Drake

A pesar de que los ingleses no desistirán de sus ataques a las islas, los holandeses también intentarán anexionar alguna de ellas para sus estados, sobre todo con la prohibición de comercio de este estado con los puertos españoles, ya fuere en ultramar ya en el territorio peninsular.

dsc0294large.jpg

88db5354-4798-4ce7-8956-e76007a23150-1.jpeg
                                                         Castillo de La Luz

6.- El ataque de Pieter van der Does a las Palmas de Gran Canaria. Los preparativos.

Las Islas Canarias se habían librado del ataque de Drake en 1595. El famoso corsario que mantenía en jaque a la armada española no pudo desembarcar en la ciudad. No obstante aun cuando fue celebrada por sus habitantes la victoria desconocían que se la tendrían que ver con la peor escuadra que jamás había cruzado los mares y que haría acto de presencia en aguas donde tres años antes estaba Drake. Las Provincias Unidas de los Estados de Holanda y Zelanda comenzaron a tener problemas sobre el comercio con España tras la prohibición de 1599 de comercio de estas con las colonias y puertos españoles. Esto sucedía el 9 de febrero de 1599. Se había producido además la muerte de Felipe II y el nuevo Austria firmó el acuerdo con los archiduques Alberto e Isabel Clara Eugenia por el cual daban un golpe de gracia al comercio holandés por la prohibición comentada y la península quedó cerrada al tráfico holandés y produciendo un paro naval sin precedentes. Para Holanda la única solución residía en comerciar con navíos de otras nacionalidades tales como los de Francia, Dinamarca y Escocia con los que mantenía gran amistad en estas fechas. Los estados de estas provincias entonces hicieron idéntica respuesta a la de España pero con evidente pérdida para ellos y tuvieron un colapso marítimo en el tráfico y en el número de marineros en paro. Se exigía una respuesta contundente por parte de estos estados y se pensó en la piratería aislada como fin de castigar esta acción.

Las acciones no solo iban para la metrópolis sino además para las islas y colonias que entonces España tenía en el gobierno de ultramar. Pero para ello se necesitaba una poderosa escuadra con este propósito. La parte administrativa y de organización corrió a cargo de Johan van Oldenbarnevelt y fue Holanda la encargada de sufragar su mayor parte pues Zelanda estaba en crisis debido al cierre de los mercados del sur. Respecto a la situación de la escuadra en realidad la marina de guerra era escasa pues tenía en servicio 18 navíos en misión de patrulla y 38 en reserva. La flota mercante no obstante era la más grande y poseían en total 2700 navíos de diverso porte. Las cartas que van der Does y Jan Gerbrants relatan a Johan que estaban reforzando el casco de algunos navíos pues se esperaba realizar una gran travesía contra las indias occidentales y otra a canarias que era lugar de tránsito obligado en su derrota hacia América.

Los navíos de la expedición eran los más modernos de su época y artillados poderosamente. Pieter van der Does pertenecía a una familia noble, era natural de Leiden tenía el título de Jonkheer y dos posesiones territoriales la de señor de Does y de Noordwyck. Había prestado antes algunos servicios a la provincia Holandesa al iniciar los Orange la guerra contra Felipe II. Van der Does participó en diversos ataques a plazas armadas y el apresamiento del galeón San Mateo cuyo estandarte dejó en la iglesia de Leiden.

El almirante se presentó el 25 de marzo de 1599 ante los estados generales para discutir las líneas de actuación y planes del viaje. Los documentos arrojaban que la escuadra zarparía de Flesinga atacarían La Coruña, Río de Lisboa, Cádiz y luego las islas de la metrópoli. Se daban instrucciones de que había que soliviantar las ciudades y ponerlas en contra de la metrópoli por medio de mercedes y gracias. El 21 de mayo de 1599 van der Does se despedía de Mauricio de Orange que estaba en Bommel para dirigirse a Flesinga (Zelanda) para reunirse con los navíos prestos a zarpar. Los navíos habían comenzado a concentrarse entre los días 23 y 24 de mayo y en tierra se disponían de las primeras divisiones de infantería para la invasión de las citadas plazas. El número de los barcos era enorme nada menos que 73 navíos y el número de hombres comprendiendo marinería y tropa se acercaba a 12000 hombres y de las tropas de desembarco había 8000 hombres. Van der Does quiso que los navíos navegaran entremezclados unos con otros sin distinción de procedencia de las provincias y portando banderas naranjas, blancas y azules. La escuadra se dividiría a su vez en tres. Como almirante de la primera escuadra iba el propio van der Does que era además el capitán general de la expedición. La escuadra blanca llevaba como almirante al ya mencionado Jan Gerbrants y la escuadra azul al mando de también almirante Cornelis Geleyntz. Al frente de las tropas de desembarco iba el comandante Geradt Storm van Weenen. El aprovisionamiento de los buques se efectuó de los días 25 a 28 de mayo.

Este último día la escuadra zarpó de Flesinga en dirección a Plymouth donde tras una breve escala donde pasó por aguas del canal para dirigirse hacia el primer punto del ataque que era La Coruña. La escuadra llegaba a aguas de la Coruña el 11 de Junio pero van der Does no pudo realizar su ataque pues apenas si se hubieron visto las velas de la escuadra las fortalezas principales iniciaron una nutrida carga que obligó a los holandeses a replegarse hacia el cabo de Finisterre. van der Does un poco desalentado por el resultado de este ataque no vaciló en continuar hacia el sur después de recoger a tiempo uno de los navíos que se había quedado rezagado por la travesía. Quería este atacar Sanlúcar por sorpresa tal y como quiso su predecesor de 1595 pero el Duque de Medina Sidonia había recibido aviso del ataque y tenía el puerto preparado en estado de máxima alerta. Van der Does no pudo si no de lejos contemplar la ciudad y el puerto para luego dirigirse más hacia el sur. Había ya decidido que atacaría canarias por considerar el archipiélago bastante alejado de la metrópolis y sin recursos de defensa. Ignoraba van der Does los planes de defensa que tras el ataque de Drake estaban teniendo lugar.

Antes del ataque de Drake solo había un castillo principal, (de la luz) de planta cuadrada de recios muros de mampostería basamento y esquina reforzada de sillares y troneras para el emplazamiento de los cañones. En 1533 se le agregarían dos cubos para aumentar la defensa de los flancos. Otro castillo construido de acuerdo con el plan de defensa de Juan Alonso Rubián era el de Santa Ana que se adentraba en el mar cerrado por un malecón en forma de cuña y planta mixtilínea que se hacía circular en su tercio superior se hacía circular. Se comunicaba con la muralla por medio de un puente levadizo. El torreón de San Pedro Mártir en la caleta del dicho nombre era una pequeña construcción circular de mampostería que contaba con un par de piezas de artillería. A todo este complejo defensivo incluyendo la muralla norte y sur se le sumaba un conjunto de trincheras, parapetos en la caleta de Santa catalina. Los primeros avisos de que las islas estaban en el punto de vista de las actividades un tanto hostiles de Inglaterra y Holanda era un ataque de ambas potencias. El primero de estos avisos llegaba el 10 de mayo en Tenerife. Otros más llegarían el último de ellos el 9 de junio de 1599. Los cabildos insulares de Tenerife y Las Palmas estaban en estado de máxima alerta. Las fortalezas habían sido revisadas hasta asegurarse de que tenían suficiente provisión de pólvora y cuerda así como de municiones.

7.- La presencia holandesa en puerto; movilización general
El día 9 de junio los vigías hacían noticia de que habían divisado una escuadra pero pasó de largo de las islas sin realizar acción alguna. De todas formas estos avisos hacían referencia a que la isla en peligro era Tenerife, pero en la confusa geografía de los holandeses respecto al archipiélago no diferenciaban en absoluto a esta de su vecina Gran Canaria que era una misma cosa así se ve en la lámina del combate en la cual se nombra la isla de Gran Canaria pero de capital Allagoena pero que se pronuncia “Alaguna” y muchos holandeses creían que estaba situada en Gran Canaria y esto explicaba que Tenerife fuera la isla en peligro por las constantes referencias a la Laguna.

Mientras en Tenerife y Gran Canaria se preparaban dispositivos de defensa, van der Does prosiguió su derrota hacia las Canarias cuyas costas divisaron el 25 de junio la escuadra contorneó las islas de Lanzarote y Fuerteventura y al día siguiente por la mañana los navíos empavesados echaban el ancla frente a las costas de Gran Canaria de cuyas bordas se dibujaba la ciudad aún dormida de las Palmas.
El sábado 26 de junio los vigías de la atalaya de las isletas que había sido una de las construidas de acuerdo con el plan defensivo veían una importante formación de barcos navegando en línea hacia la ensenada del puerto, minutos después se elevaba una columna de humo para significar que en la escuadra había mas de 25 velas y esta señal era percibida por las demás atalayas y vigías y llamaba a la población para prepararse a la defensa. Luego se disparó el cañón de la fortaleza principal de la Luz que despertó a la ciudad de la tranquilidad sumida tocando a generala. No obstante el despertar de los habitantes no fue intranquilo pues ya habían tenido 3 años atrás el ataque de Drake y lo habían expulsado así tenían confianza en Alvarado que había dirigido la defensa en aquella ocasión con gran éxito y aparte se habían revisado todas las fortalezas con gran precaución y no como la anterior vez con discordia entre las autoridades, estos factores y el echo de que estuvieran en una zona de ataques continuos les hacía tener la moral alta pues el peligro continuo era su mayor aliciente.

Al disparo del cañón todos los hombres que estaban en posición de armas estaban mezclándose con los miembros de la tropa de arcabuceros y portando además mosquetones y armas como picas y lanzas que se entremezclaban con las del campesinado tales como picos y cuchillos, las armas escaseaban en la isla y a pesar del envío del barco de armas del Duque de Medina Sidonia no llegaron a toda la población. Las campanas de la catedral volteaban incesantes llamando a la población a concentrarse en la plaza de Santa Ana y los tambores tocaban por la ciudad llamando a filas a las compañías, las del interior de la isla no tenían un punto fijo de reunión tales eran las compañías del sur y las de Telde y Agüimes que atravesaban la ciudad a todo correr mientras que las de la banda norte iban atravesando los arenales en dirección al puerto.

Durante las primeras horas a la llamada se fueron apiñando en la plaza principal las cinco compañías principales de la ciudad con sus respectivos capitanes, del mando de la quinta compañía Juan Martel Peraza de Ayala se encontraba en Tenerife y se encargó de su dirección su alférez Agustín de Herrera y Rojas. Otro que hizo aparición fue el cabo Juan Negrete y su ayudante Pedro Bayón.

Tirando de las piezas de artillería había dos parejas de bueyes. También hicieron aparición otras personas que habían participado en el anterior ataque como el teniente de gobernador Pamochamoso, también estaba en esta ocasión el obispo Francisco Martínez con su séquito así como los canónigos e inquisidores que habían echo acto de presencia. Alonso de Alvarado que había tenido un valor y pericia contra le ataque de Francis Drake determinó igual que en la anterior amenaza conjurar el peligro impidiendo a toda costa el desembarco de las tropas de van der Does. Alvarado al igual que en la anterior ocasión fue directo a la fortaleza de la luz para ver como estaba evolucionando la escuadra pero desde la atalaya no se podía contar el número exacto de los barcos que se aproximaban lenta y majestuosamente a tierra manteniéndose en la línea. Lo único que los asombrados vigías reconocían es que no se había visto formación igual a lo largo de su historia. Alvarado entonces se dedicó a ver las fortalezas y proveerlas ya en última instancia de lo necesario para el ataque. Las encontró en un estado de máxima alerta y muy bien aprovisionadas para el ataque ya inminente. La fortaleza de la luz contaba con 9 cañones de gran tamaño y otras tantas piezas de tamaño pequeño, al frente de la fortaleza se encontraba Antonio Joven y la defendían las tropas del rey. En total había emplazados 60 hombres. Las fortalezas de San Pedro y Santa Ana recibían en aquel momento también refuerzos. Presente otra vez en la batalla estaba el ingeniero Próspero Casola así como el capitán Lope de Mesa y Ocampo que separándose del grueso de las tropas se dirigió a la fortaleza de Santa Ana para proponer a la audiencia un peligroso plan: enviar a la audiencia de Tenerife un aviso para estar prevenidos de un próximo ataque.

El regente de la Audiencia no puso objeciones al plan y así el capitán Mesa pudo aprestar un barco con el objetivo de hacer llevar el aviso. El piloto de la embarcación era Lucas Delgado natural de la isla de Tenerife un experto marino pues conocía los bajíos y corrientes de la isla y cuando si apenas habían comenzado a doblar contorneando las isletas uno de los navíos les comenzó a disparar y al tiempo que enviaba sus lanchas para capturarla. Mesa entonces se fue al castillo de la Luz para intentar pasar la embarcación por el istmo al puerto de Arrecife pero tampoco tuvo suerte. Mesa entonces se apropió de una pequeña embarcación de remos a la que improvisaron un aparejo y velas por carecer de ello y con el piloto burlaron a la escuadra holandesa y alcanzaron las aguas libres en dirección a Tenerife.

Mientras esto pasaba las compañías de la ciudad con sus artilleros, los bueyes y las piezas de artillería, el teniente Pamochamoso, y el sargento mayor atravesaban ya la ciudad se dirigían por el arenal hacia el puerto, al mismo tiempo hacían acto de presencia las compañías que guarnecían la isla las primeras en llegar eran las de La Vega, Teror y Arucas, mas tarde y a todo correr las compañías de Telde y Agüimes, las dos compañías mas alejadas de la isla de Gáldar y Guía no tuvieron tiempo de llegar al fragor de la batalla pero si a la defensa de tierra. A pesar de todas estas compañías incluyendo la de los milicianos la relación de fuerza no era tan impresionante como pudiera ser pues aunque se contaba en total con 14 compañías con aproximadamente 2000 hombres no había en esta ocasión mas de 900, las compañías estaban integradas por gente campesina que en el mayor de los casos no se enteraba por la distancia del peligro de la isla. Respecto a las distancias estas eran grandes recorriendo entre 8 y 10 kilómetros unas y entre 39 y 40 los de Gáldar y Agüimes.

A pesar de que los ingleses no desistirán de sus ataques a las islas, los holandeses también intentarán anexionar alguna de ellas para sus estados, sobre todo con la prohibición de comercio de este estado con los puertos españoles, ya fuere en ultramar ya en el territorio peninsular.

6.- El ataque de Pieter van der Does a las Palmas de Gran Canaria. Los preparativos.
Las Islas Canarias se habían librado del ataque de Drake en 1595. El famoso corsario que mantenía en jaque a la armada española no pudo desembarcar en la ciudad. No obstante aun cuando fue celebrada por sus habitantes la victoria desconocían que se la tendrían que ver con la peor escuadra que jamás había cruzado los mares y que haría acto de presencia en aguas donde tres años antes estaba Drake. Las Provincias Unidas de los Estados de Holanda y Zelanda comenzaron a tener problemas sobre el comercio con España tras la prohibición de 1599 de comercio de estas con las colonias y puertos españoles. Esto sucedía el 9 de febrero de 1599. Se había producido además la muerte de Felipe II y el nuevo Austria firmó el acuerdo con los archiduques Alberto e Isabel Clara Eugenia por el cual daban un golpe de gracia al comercio holandés por la prohibición comentada y la península quedó cerrada al tráfico holandés y produciendo un paro naval sin precedentes. Para Holanda la única solución residía en comerciar con navíos de otras nacionalidades tales como los de Francia, Dinamarca y Escocia con los que mantenía gran amistad en estas fechas. Los estados de estas provincias entonces hicieron idéntica respuesta a la de España pero con evidente pérdida para ellos y tuvieron un colapso marítimo en el tráfico y en el número de marineros en paro. Se exigía una respuesta contundente por parte de estos estados y se pensó en la piratería aislada como fin de castigar esta acción.

Las acciones no solo iban para la metrópolis sino además para las islas y colonias que entonces España tenía en el gobierno de ultramar. Pero para ello se necesitaba una poderosa escuadra con este propósito. La parte administrativa y de organización corrió a cargo de Johan van Oldenbarnevelt y fue Holanda la encargada de sufragar su mayor parte pues Zelanda estaba en crisis debido al cierre de los mercados del sur. Respecto a la situación de la escuadra en realidad la marina de guerra era escasa pues tenía en servicio 18 navíos en misión de patrulla y 38 en reserva. La flota mercante no obstante era la más grande y poseían en total 2700 navíos de diverso porte. Las cartas que van der Does y Jan Gerbrants relatan a Johan que estaban reforzando el casco de algunos navíos pues se esperaba realizar una gran travesía contra las indias occidentales y otra a canarias que era lugar de tránsito obligado en su derrota hacia América.

Los navíos de la expedición eran los más modernos de su época y artillados poderosamente. Pieter van der Does pertenecía a una familia noble, era natural de Leiden tenía el título de Jonkheer y dos posesiones territoriales la de señor de Does y de Noordwyck. Había prestado antes algunos servicios a la provincia Holandesa al iniciar los Orange la guerra contra Felipe II. Van der Does participó en diversos ataques a plazas armadas y el apresamiento del galeón San Mateo cuyo estandarte dejó en la iglesia de Leiden.

El almirante se presentó el 25 de marzo de 1599 ante los estados generales para discutir las líneas de actuación y planes del viaje. Los documentos arrojaban que la escuadra zarparía de Flesinga atacarían La Coruña, Río de Lisboa, Cádiz y luego las islas de la metrópoli. Se daban instrucciones de que había que soliviantar las ciudades y ponerlas en contra de la metrópoli por medio de mercedes y gracias. El 21 de mayo de 1599 van der Does se despedía de Mauricio de Orange que estaba en Bommel para dirigirse a Flesinga (Zelanda) para reunirse con los navíos prestos a zarpar. Los navíos habían comenzado a concentrarse entre los días 23 y 24 de mayo y en tierra se disponían de las primeras divisiones de infantería para la invasión de las citadas plazas. El número de los barcos era enorme nada menos que 73 navíos y el número de hombres comprendiendo marinería y tropa se acercaba a 12000 hombres y de las tropas de desembarco había 8000 hombres. Van der Does quiso que los navíos navegaran entremezclados unos con otros sin distinción de procedencia de las provincias y portando banderas naranjas, blancas y azules. La escuadra se dividiría a su vez en tres. Como almirante de la primera escuadra iba el propio van der Does que era además el capitán general de la expedición. La escuadra blanca llevaba como almirante al ya mencionado Jan Gerbrants y la escuadra azul al mando de también almirante Cornelis Geleyntz. Al frente de las tropas de desembarco iba el comandante Geradt Storm van Weenen. El aprovisionamiento de los buques se efectuó de los días 25 a 28 de mayo.

Este último día la escuadra zarpó de Flesinga en dirección a Plymouth donde tras una breve escala donde pasó por aguas del canal para dirigirse hacia el primer punto del ataque que era La Coruña. La escuadra llegaba a aguas de la Coruña el 11 de Junio pero van der Does no pudo realizar su ataque pues apenas si se hubieron visto las velas de la escuadra las fortalezas principales iniciaron una nutrida carga que obligó a los holandeses a replegarse hacia el cabo de Finisterre. van der Does un poco desalentado por el resultado de este ataque no vaciló en continuar hacia el sur después de recoger a tiempo uno de los navíos que se había quedado rezagado por la travesía. Quería este atacar Sanlúcar por sorpresa tal y como quiso su predecesor de 1595 pero el Duque de Medina Sidonia había recibido aviso del ataque y tenía el puerto preparado en estado de máxima alerta. Van der Does no pudo si no de lejos contemplar la ciudad y el puerto para luego dirigirse más hacia el sur. Había ya decidido que atacaría canarias por considerar el archipiélago bastante alejado de la metrópolis y sin recursos de defensa. Ignoraba van der Does los planes de defensa que tras el ataque de Drake estaban teniendo lugar.

Antes del ataque de Drake solo había un castillo principal, (de la luz) de planta cuadrada de recios muros de mampostería basamento y esquina reforzada de sillares y troneras para el emplazamiento de los cañones. En 1533 se le agregarían dos cubos para aumentar la defensa de los flancos. Otro castillo construido de acuerdo con el plan de defensa de Juan Alonso Rubián era el de Santa Ana que se adentraba en el mar cerrado por un malecón en forma de cuña y planta mixtilínea que se hacía circular en su tercio superior se hacía circular. Se comunicaba con la muralla por medio de un puente levadizo. El torreón de San Pedro Mártir en la caleta del dicho nombre era una pequeña construcción circular de mampostería que contaba con un par de piezas de artillería. A todo este complejo defensivo incluyendo la muralla norte y sur se le sumaba un conjunto de trincheras, parapetos en la caleta de Santa catalina. Los primeros avisos de que las islas estaban en el punto de vista de las actividades un tanto hostiles de Inglaterra y Holanda era un ataque de ambas potencias. El primero de estos avisos llegaba el 10 de mayo en Tenerife. Otros más llegarían el último de ellos el 9 de junio de 1599. Los cabildos insulares de Tenerife y Las Palmas estaban en estado de máxima alerta. Las fortalezas habían sido revisadas hasta asegurarse de que tenían suficiente provisión de pólvora y cuerda así como de municiones.

7.- La presencia holandesa en puerto; movilización general
El día 9 de junio los vigías hacían noticia de que habían divisado una escuadra pero pasó de largo de las islas sin realizar acción alguna. De todas formas estos avisos hacían referencia a que la isla en peligro era Tenerife, pero en la confusa geografía de los holandeses respecto al archipiélago no diferenciaban en absoluto a esta de su vecina Gran Canaria que era una misma cosa así se ve en la lámina del combate en la cual se nombra la isla de Gran Canaria pero de capital Allagoena pero que se pronuncia “Alaguna” y muchos holandeses creían que estaba situada en Gran Canaria y esto explicaba que Tenerife fuera la isla en peligro por las constantes referencias a la Laguna.

Mientras en Tenerife y Gran Canaria se preparaban dispositivos de defensa, van der Does prosiguió su derrota hacia las Canarias cuyas costas divisaron el 25 de junio la escuadra contorneó las islas de Lanzarote y Fuerteventura y al día siguiente por la mañana los navíos empavesados echaban el ancla frente a las costas de Gran Canaria de cuyas bordas se dibujaba la ciudad aún dormida de las Palmas.
El sábado 26 de junio los vigías de la atalaya de las isletas que había sido una de las construidas de acuerdo con el plan defensivo veían una importante formación de barcos navegando en línea hacia la ensenada del puerto, minutos después se elevaba una columna de humo para significar que en la escuadra había mas de 25 velas y esta señal era percibida por las demás atalayas y vigías y llamaba a la población para prepararse a la defensa. Luego se disparó el cañón de la fortaleza principal de la Luz que despertó a la ciudad de la tranquilidad sumida tocando a generala. No obstante el despertar de los habitantes no fue intranquilo pues ya habían tenido 3 años atrás el ataque de Drake y lo habían expulsado así tenían confianza en Alvarado que había dirigido la defensa en aquella ocasión con gran éxito y aparte se habían revisado todas las fortalezas con gran precaución y no como la anterior vez con discordia entre las autoridades, estos factores y el echo de que estuvieran en una zona de ataques continuos les hacía tener la moral alta pues el peligro continuo era su mayor aliciente.

Al disparo del cañón todos los hombres que estaban en posición de armas estaban mezclándose con los miembros de la tropa de arcabuceros y portando además mosquetones y armas como picas y lanzas que se entremezclaban con las del campesinado tales como picos y cuchillos, las armas escaseaban en la isla y a pesar del envío del barco de armas del Duque de Medina Sidonia no llegaron a toda la población. Las campanas de la catedral volteaban incesantes llamando a la población a concentrarse en la plaza de Santa Ana y los tambores tocaban por la ciudad llamando a filas a las compañías, las del interior de la isla no tenían un punto fijo de reunión tales eran las compañías del sur y las de Telde y Agüimes que atravesaban la ciudad a todo correr mientras que las de la banda norte iban atravesando los arenales en dirección al puerto.

Durante las primeras horas a la llamada se fueron apiñando en la plaza principal las cinco compañías principales de la ciudad con sus respectivos capitanes, del mando de la quinta compañía Juan Martel Peraza de Ayala se encontraba en Tenerife y se encargó de su dirección su alférez Agustín de Herrera y Rojas. Otro que hizo aparición fue el cabo Juan Negrete y su ayudante Pedro Bayón.

Tirando de las piezas de artillería había dos parejas de bueyes. También hicieron aparición otras personas que habían participado en el anterior ataque como el teniente de gobernador Pamochamoso, también estaba en esta ocasión el obispo Francisco Martínez con su séquito así como los canónigos e inquisidores que habían echo acto de presencia. Alonso de Alvarado que había tenido un valor y pericia contra le ataque de Francis Drake determinó igual que en la anterior amenaza conjurar el peligro impidiendo a toda costa el desembarco de las tropas de van der Does. Alvarado al igual que en la anterior ocasión fue directo a la fortaleza de la luz para ver como estaba evolucionando la escuadra pero desde la atalaya no se podía contar el número exacto de los barcos que se aproximaban lenta y majestuosamente a tierra manteniéndose en la línea. Lo único que los asombrados vigías reconocían es que no se había visto formación igual a lo largo de su historia. Alvarado entonces se dedicó a ver las fortalezas y proveerlas ya en última instancia de lo necesario para el ataque. Las encontró en un estado de máxima alerta y muy bien aprovisionadas para el ataque ya inminente. La fortaleza de la luz contaba con 9 cañones de gran tamaño y otras tantas piezas de tamaño pequeño, al frente de la fortaleza se encontraba Antonio Joven y la defendían las tropas del rey. En total había emplazados 60 hombres. Las fortalezas de San Pedro y Santa Ana recibían en aquel momento también refuerzos. Presente otra vez en la batalla estaba el ingeniero Próspero Casola así como el capitán Lope de Mesa y Ocampo que separándose del grueso de las tropas se dirigió a la fortaleza de Santa Ana para proponer a la audiencia un peligroso plan: enviar a la audiencia de Tenerife un aviso para estar prevenidos de un próximo ataque.

El regente de la Audiencia no puso objeciones al plan y así el capitán Mesa pudo aprestar un barco con el objetivo de hacer llevar el aviso. El piloto de la embarcación era Lucas Delgado natural de la isla de Tenerife un experto marino pues conocía los bajíos y corrientes de la isla y cuando si apenas habían comenzado a doblar contorneando las isletas uno de los navíos les comenzó a disparar y al tiempo que enviaba sus lanchas para capturarla. Mesa entonces se fue al castillo de la Luz para intentar pasar la embarcación por el istmo al puerto de Arrecife pero tampoco tuvo suerte. Mesa entonces se apropió de una pequeña embarcación de remos a la que improvisaron un aparejo y velas por carecer de ello y con el piloto burlaron a la escuadra holandesa y alcanzaron las aguas libres en dirección a Tenerife.

Mientras esto pasaba las compañías de la ciudad con sus artilleros, los bueyes y las piezas de artillería, el teniente Pamochamoso, y el sargento mayor atravesaban ya la ciudad se dirigían por el arenal hacia el puerto, al mismo tiempo hacían acto de presencia las compañías que guarnecían la isla las primeras en llegar eran las de La Vega, Teror y Arucas, mas tarde y a todo correr las compañías de Telde y Agüimes, las dos compañías mas alejadas de la isla de Gáldar y Guía no tuvieron tiempo de llegar al fragor de la batalla pero si a la defensa de tierra. A pesar de todas estas compañías incluyendo la de los milicianos la relación de fuerza no era tan impresionante como pudiera ser pues aunque se contaba en total con 14 compañías con aproximadamente 2000 hombres no había en esta ocasión mas de 900, las compañías estaban integradas por gente campesina que en el mayor de los casos no se enteraba por la distancia del peligro de la isla. Respecto a las distancias estas eran grandes recorriendo entre 8 y 10 kilómetros unas y entre 39 y 40 los de Gáldar y Agüimes.

8.- El plan defensivo de Alvarado y el “Adagio” de los cañones
Alvarado comenzó rápidamente a preparar el dispositivo de defensa convencido como en la anterior vez de que era impedir a toda costa el desembarco de las bien preparadas tropas de infantería del holandés. Le servían a este propósito las fortalezas de la Luz y Santa Ana, en la segunda había cuatro cañones llamados “de batir” al cargo de Alonso Venegas Calderón. Que había estado en la anterior ocasión al mando de la misma sustituyendo a Cairasco, la segunda fortaleza estaba al mando de Antonio Joven en la que había nueve piezas de bronce de gran tamaño. Estas dos fortalezas habían sido aprovisionadas tanto en munición como en tropa en último momento. Otras obras que merece la pena comentar son las trincheras que se levantaron en Santa Catalina y las del istmo de Guadarteme que eran de última construcción. Por ser el último punto de desembarco de Drake se consideraba que este era el punto más vulnerable.

Las compañías de Baltasar de Armas que habían defendido en aquella ocasión la caleta estaban otra vez atrincheradas así como las de Antonio Lorenzo estando a la espera tras los parapetos. Las piezas de artillería estaban al cargo del capitán Serpa y el cabo Bayón y constituían nueve piezas de artillería. En la punta de Santa Catalina encontramos al cabo Negrete y al Capitán Ocampo con el sacre y el medio sacre que también había dirigido en el anterior ataque. Mientras Alvarado seguía con gran preocupación la evolución de la escuadra que penetraba osadamente en puerto en la línea de combate. Tras esto Alvarado ordenó que se parapetasen en las trincheras el capitán Juan Ruiz de Alarcón con sus hombres y portando dos piezas de artillería. Distribuyó las compañías del interior cerrando los huecos.

De esta forma se establecía un arco de defensa que iba desde el castillo de Santa Ana al de la Luz orientadas de sur a norte. La compañía mas rustica era la compañía del campo que enarbolaba además una rústica bandera y estaba armada con armas rudimentarias como picas y cuchillos pero no por ello les faltaba el arrojo necesario para combatir al imponente enemigo. Le seguían las compañías de Armas, Cabrero y Lorenzo con el apoyo balístico de las cinco piezas de artillería. Y en su punta los soldados artilleros con el cabo Negrete y el sacre y el medio sacre. Luego estaban además incorporados el regente Antonio Arias quien con espada desnuda en mano iba recorriendo las trincheras con otros tres oidores para fortalecer y animar a la gente. En la ciudad estaba el teniente Pamochamoso, el sargento mayor Heredia y los jinetes de la compañía de caballería. A escasa distancia de este grupo estaban las compañías de la Vega, Teror y Arucas con sus respectivos capitanes a la espera de tener que acudir en socorro de las tropas. En el istmo de Guadarteme la disposición bélica era como sigue, la compañía de la gente de mar de Peraza Ayala bajo las órdenes de su alférez y el capitán Ruiz de Alarcón que las mandaba con ayuda de este, luego las propias compañías del capitán con dos piezas de artillería y entre el espacio dejado entre la compañía y la ermita de de Nuestra Señora de la luz estaban las compañías de Telde y Agüimes.

Esta era la disposición que Alvarado había puesto en juego contra el peligro holandés en las primeras horas del 26 de junio de 1599 cuando los holandeses ya teniendo todo previsto y estando ya la suerte echada comenzaban a abrir las portas de los cañones de cubierta y sobrecubierta para que los artilleros comenzaran a cargar las piezas mientras las bocas asomaban brillando débilmente a la luz de la mañana. Cuando los artilleros hubieron cargado las piezas se acerco la mecha y se oyó un estruendo y una bocanada de humo del costado de estribor de los buques se elevó: había comenzado el “adagio” de los cañones. La escuadra enemiga para recapitular había sido divisada por primera vez entre las 4 y las ocho de la mañana, luego de esta hora hasta las 9 los navíos hacían acto de presencia en el puerto alineados y formando dos hileras y se situaron en el interior de la bahía. Los navíos constituían una cifra enorme pues alcanzaban 74 unidades todas ellas muy bien engalanadas y con sus respectivas banderas que se veían muy bien desde tierra. Cada navío tenía además a remolque de una a tres lanchas independiente de los botes de la cubierta principal. Se contaron en total 150 lanchas de desembarco incluyendo algunas que iban de un barco a otro de la escuadra.

Cuando los navíos estuvieron al alcance de los cañones de la fortaleza principal de la Luz esta abrió un nutrido fuego contra los barcos que hizo que estos concentraran la artillería sobre el castillo esta fase duró exactamente dos horas en las cuales la fortaleza fue castigada mientras las balas esparcían esquirlas del muro de mampostería. Como resultado de la acción uno de los navíos se incendió y otros varios recibieron grandes daños, temiendo la ignición de la santabárbara los holandeses sofocaron el fuego del navío almirante para evitar mayores desastres. Se reconoce en total por ambas crónicas que el ataque ocasionó graves daños a la escuadra.

La fortaleza de la Luz también resulto dañada pues sobre ella se hizo blanco de los 74 navíos de la escuadra pero no con gran fortuna en su propósito pues se barrió la fortaleza matando a dos soldados mientras que sus muros bajos y los terrenos circundantes quedaban acribillados. No obstante a pesar de las mínimas bajas que la escuadra holandesa había infligido a la fortaleza el aparato bélico minó la moral de su alcalde Antonio Joven que creyó la partida perdida y ordeno el cese del fuego. La cobardía de este alcaide iba en proporción a la audacia y temeridad de van der Does que estaba entrando en ese momento los buques en la rada. Antonio el Joven daba orden de abandonar la plaza de armas del castillo. Los holandeses mientras entraban hasta la caleta y batían ya no solo a la fortaleza principal sino también las posiciones de tierra. El alcaide, evidentemente, podía haber hecho blanco perfecto en los navíos que estaban alineados frente a la fortaleza barriendo la costa con el estruendo de los cañones. Van der Does viendo que la fortaleza no respondía al fuego alineó a sus barcos a la altura de esta para cañonear más cómodamente las posiciones en tierra y acortando a su vez las posiciones con los defensores cosa que Alvarado quería evitar. Alvarado así mismo ordenó reforzar las trincheras del istmo de Guadarteme para evitar el desembarco y dando además apoyo con otros dos cañones a las compañías apostadas en la ermita de la Luz.

Van der Does observando esto desde su navío almirante y viendo que la fortaleza de la luz había dejado de disparar y no ofrecía ya peligro alguno y viendo barridas las trincheras en tierra pensó entonces el intento de desembarco que tan mal le había salido a Drake. El punto primero escogido para el desembarco fue el istmo de Guadarteme donde estaba el propio embarcadero de puerto. Para realizar este desembarco los holandeses habían diseñado fruto de sus experiencias en otros ataques unas lanchas llamadas planudas de poco calado y fondo plano que tenían gran estabilidad.

9.- El desembarco de van der Does
Estas lanchas arriba mencionadas tenían además gran capacidad de carga. Las lanchas fueron cargadas sin problemas y con unos esmeriles en proa comenzaron a bogar rápidas hacia la playa. Pero desde la playa que se veía todo esto con las dos piezas de artillería comenzaron a disparar con fuego nutrido y desde la fortaleza se disparó un último cañonazo con tal puntería que envió a pique a dos lanchas. Tras esto las lanchas regresaron al amparo de la flota. Van der Does entonces eligió como punto de desembarco la caleta de Santa Catalina esta vez para asegurarse del éxito van der Does ordenó un bombardeo por parte de la escuadra de las posiciones de la playa para despejar el terreno que por todo blanco mató a un hombre y a la pareja de bueyes que habían trasportado las piezas de artillería. Los holandeses confiados de que los canarios se habían rendido comenzaron a bogar a la caleta y cuando estuvieron a tiro de cañón las seis piezas de artillería y los dos sacres replicaron y rociaron de metralla a las lanchas zozobrando otras dos mas y dando con sus tripulantes al agua, por si esto no fuera todo el sacre además disparo a los navíos causándoles daños.

Los invasores volvieron a replegarse y volvieron a intentar barrer las posiciones enemigas pero las balas que daban sobre la tierra dejaban incrustadas las balas dispersando nubes de tierra sin ningún daño para los parapetados. Por el contrario las que daban sobre los barcos y las lanchas daban sobre las tripulaciones e infantería balas y la metralla del impacto y puesto que la cortina de fuego era cerrado sobre las posiciones causaban gran estrago. Juan Negrete volvió a revelarse otra vez como muy buen artillero pues donde ponía el ojo ponía la bala. Fracasado el siguiente intento de desembarco las lanchas derivaron hacia el puerto mientras los navíos por tercera vez artillaban y descargaban andanadas sobre la costa, mientras los defensores veían furiosos y asombrados como la fortaleza de la Luz desperdiciaba la situación favorable de echar a pique los barcos apostados frente a ella y muchos de ellos alineados frente a sus cañones mientras su alcaide con toda la tropa sin bajas y teniendo blancos por todas partes esperaba ser rendida por un enemigo que ni tan siquiera había desembarcado aún. El tercer intento no se hizo esperar pues ya van der Does empezaba a perder la paciencia y solucionó el desembarcar en una pequeña caleta al norte de la playa de Santa Catalina que Alvarado no había dado protección por los bajíos y corrientes que allí se daban pero los holandeses cuyas lanchas planas apenas disponían de calado y de gran estabilidad en contra de los lanchones comunes se atrevieron por esta solución y comenzaron a bogar contra los escollos, las 150 lanchas se pusieron en movimiento y viendo Alvarado esto desde la costa comenzó a disparar sobre ellos con las compañías de Arucas y la Vega mientras las dos piezas de artillería disparaban sobre ellos un fuego nutrido de metralla que hizo gran mortandad entre los que allí había. Las lanchas embarrancaron en el caletón pero las compañías de la Vega y Arucas parapetadas tras los médanos de arena situadas al borde de la playa las rechazaron y tuvieron que bogar y separarse de la costa. Las lanchas que no podían salir de esta zona derivaron entonces hacia el puerto donde fueron rechazadas por las compañías de Telde, la de la gente del mar y la de Agüimes y los dos cañones allí emplazados. Van der Does que no quería tener mas bajas ordenó el repliegue de sus fuerzas a la escuadras para reagruparse e indicarles quinto intento de desembarco.

Dichas maniobras fueron causa de una gran expectación pues se recordaba lo que había pasado 3 años antes y dieron por fracasada la acción del enemigo cuya noticia se divulgó hasta la ciudad. Van der Does desde la cámara de popa de su navío con el mapa en mano ordenaba a sus capitanes el nuevo punto de desembarco. Este no era otro que un trazo de costa bastante amplio y batido por el mar por todos los escollos y bajíos así como de corrientes entre las cuales el mar se precipitaba con gran violencia. Este punto se encontraba entre el arco de la ermita de Nuestra Señora de la Luz hasta la punta de Santa catalina. Los lanchones se pusieron otra vez en movimiento.

Alvarado que no había fortificado este punto de la costa por considerarlo inaccesible a los navíos por la poca profundidad y los escollos fue el punto débil de su defensa pues no contaba con las barcas planas de los holandeses. Entre otras cosas que favorecían al holandés estaba que no había trincheras ni parapetos donde la gente que se defendía estuviera a salvo de la arcabucería ni de los cañones de la escuadra. Al advertir Alvarado la maniobra ordenó a toda prisa que las compañías de Teror, la Vega y Arucas fueran hacia allá (el mismo también iba) y el cabo Negrete con las piezas de artillería a proteger aquel punto de la costa. Los disparos comenzaron a llover sobre las lanchas consiguiendo naufragar cuatro de ellas, los soldados se agazaparon sobre las barcas mientras la metralla llovía a su alrededor y los cañones levantaban espuma de agua cuando daban a pique y las lanchas pasando por los escollos y ayudados por la corriente salvaban la distancia de la costa y encallaban en el suave légamo de la playa saltando los hombres con el agua a la cintura para ganar la playa. Las compañías de Arucas, Teror, Agüimes, la Vega y los milicianos de las compañías de Telde acudían a pecho descubierto a luchar contra ellos, los primeros momentos fueron bastante duros y los canarios arremetieron con una suma de 80 hombres sobre el primer grupo de desembarco y consiguieron bastante bajas acudiendo los pocos que habían conseguido escapar a parapetarse tras las lanchas que aún bogaban.

La escuadra no estaba ociosa y comenzó a disparar sobre las posiciones de tierra bombardeando la costa, levantando grandes nubes de tierra que ocultaba el movimiento de las lanchas y favorecía su desembarque. Las lanchas protegidas además por el fuego de la escuadra conseguían desembarcar la totalidad de los hombres mientras abrían fuego sobre los milicianos que sin protección alguna luchaban contra ellos las balas hicieron mella en esta gente con cargas cerradas y repetidas propias de una infantería preparada. La vida de estos milicianos iba siendo cegada poco a poco en tanto que el empeño de cerrarles el paso no desaparecía. Allí cayeron muertos en desigual combate el capitán de Arucas, el alférez, el alguacil del general, el criado del obispo y muchos mas, mientras heridos aumentaban en número.

Alvarado resultó herido al caer de su montura muerta por un tiro de metralla, igual suerte tuvo el sargento mayor que también cayó de su montura perdida en la refriega y por si ya era bastante casualidad el teniente Pamochamoso resultaba también herido al caer de su montura también muerta de un disparo de cañón. El capitán de la compañía de Telde era herido y mas tarde fallecía, el capitán Juan Ruiz de Alarcón era herido y retirado del campo de batalla y en total ascendieron a menos de un centenar los muertos y heridos si bien es un poco exagerada según los datos finales. El repliegue se efectuó lentamente hacia las restantes trincheras

10.- Los holandeses se apoderan de Las Palmas
Cuando el istmo de Guadarteme quedó libre de la presencia de tropas españolas los holandeses tomaron posesión del istmo aunque tuvieron que parapetarse hacia el Arrecife pues las trincheras de Santa Catalina les estaban bombardeando. Los holandeses tras unos médanos de arena comenzaron a disparar atrincherados si bien puesto que sus armas no eran de gran potencia recibían mas bajas. La escuadra entonces viendo libre la posición de desembarco envió las lanchas otra vez de regreso a la playa para desembarcar en ellas al resto de la tropa en lo cual van der Does tuvo en tierra 8000 hombres. Los hombres se esparcieron hasta ganar terreno y en cuanto van der Does tuvo la artillería y munición necesarias se dirigió a rendir la fortaleza de la Luz. La escuadra de 20 a 30 soldados mandadas por el capitán Dammas Verloo intimidó al alcaide de la fortaleza y este se rindió inmediatamente entregando la fortaleza con todo su equipamiento ante el asombro de los holandeses en perfecto estado.

Después de una actitud tan cobarde de no defender la posición frente a la escuadra ahora que tenía la posibilidad de redimirse por su actitud podía haber plantado cara al holandés con su superioridad numérica y artillera y haberle echo perder tiempo para rendir la fortaleza y dejando a sus compañeros que atacasen a las fuerzas invasoras dio su falta de juicio tan alta que no solo se rendía si no que lo hacía con todo el equipo completo y por si no era todo sin ser inutilizado. Los holandeses que no disponían de artillería pesada se asombraron de ver lo que encontraron habían dos culebrinas grandes de 68 quintales, dos cañones de batir de gran alcance de 32 libras, un cañón de batir de 47 libras, dos culebrinas bastardas de 45 libras, un sacre de 21 quintales de peso, entre las piezas menores cuatro sacres encabalgados sobre los cubelos y listos para abrir fuego, cuatro piezas de hierro de la inquisición que no estaban montadas que sumaban en total 17 piezas con un cañón que no servía. Los holandeses mas tarde asediaron la muralla norte que hubo de ser reparada en algunas partes pues aquella improvisada muralla era bastante débil.

Así caía la noche sobre la ciudad, mientras que quedaban en la muralla los capitanes y soldados, se reunían en la casa de la munición los oidores y el gobernador interino así como los inquisidores para discutir la acción a seguir sobre el enemigo. A las once quedaba la reunión enclavada y se decidía la evacuación de los archivos y demás cosas de valor ante la inminente caída del enemigo sobre la ciudad. El enemigo aquella noche intentaba ganar por avanzadillas la muralla y se realizaban escaramuzas que duraron toda la noche y así el 27 de junio al amanecer el enemigo estaba parapetado en el arsenal de San Lázaro con trincheras y parapetos de tablas. Era evidente que había que reforzarse ante la inminencia de un ataque. El cerro que estaba al descubierto había sido fortificado a toda prisa bajo la dirección de Próspero Casola y los cañones fueron emplazados en estos improvisados cubelos para ser utilizados bajo la dirección del cabo Negrete y su ayudante.

Los holandeses que habían pasado la noche sobre la playa de Santa Catalina y el espacio de San Lázaro formaron los escuadrones con 200 mosqueteros dispuestos a atacar la muralla en varios puntos. Sin embargo cuando los 5 escuadrones se pusieron en acción y pasaron frente al alcance de los cabos Negrete y Bayón dispararon y el campo quedó cubierto de cadáveres mientras los holandeses huían en desbandada. Los cañones continuaron rugiendo mientras los holandeses disparaban descargas cerradas de mosquetería sobre la muralla. Los disparos se intensificaron a lo largo de día siendo nuestra infantería la que se tenía que poner a cubierto de los cañones de grueso calibre que utilizaban los holandeses contra las posiciones de la muralla. Siendo esta tan nutrida que se tuvo que evacuar esa parte de la muralla. Durante toda la tarde prosiguió el fuego cruzado siendo más mortífero el canario por la posición avanzada de los naturales al concentrar sus fuerzas más favorables. Al caer la noche la muralla aún resistía.

El 28 de junio los holandeses comenzaron a barrer las posiciones que servían de apoyo a la muralla entre ellas el castillo de Santa Ana cuya puerta había sido tapiada para evitar que el enemigo se apoderara de ella. El fuego cruzado fue intensísimo y los holandeses tuvieron grandes bajas. Durante cinco horas los holandeses castigaron sin interrupción a la muralla y al castillo cuyas muestras eran más que evidentes de debilidad. En la muralla comenzaban a aparecer grietas. El castillo de Santa Ana comenzó a tener grandes bajas. En la muralla la munición comenzó a escasear por instantes disparando munición de madera que causó más daño que las bolas de plomo que se hicieron fundir que fueron por desgracia inservibles.

La poca munición encontrada en la ciudad era tan menuda que había que cargar varias de estas en la pieza para que salieran a gran velocidad. El castillo de Santa Ana que esperaba refuerzos fue evacuado por los hombres que rompiendo la pared de la puerta y la propia puerta se dispersaron las llaves de la fortaleza habían sido lanzadas al mar para evitar que el enemigo entrara. Los daños eran tales que había brechas por las cuales se veía lo que pasaba al otro lado. Después la muralla comenzó a ser abandonada mientras los puestos callaban por el nutrido fuego y los hombres abandonaban la muralla para luego ir a la ciudad a rescatar lo que pudieran.

Los cerros que servían de defensa a la ciudad fueron barridos uno a uno mientras los defensores se encargaban de sacar todos los cañones para evitar ser capturados por el enemigo, a aquellos que no se les pudo trasportar por falta de medios fueron inutilizados. La ciudad caía aquella fatídica tarde pero no queda constancia de la hora. Los holandeses entraron a la ciudad por diferentes puntos menos por la puerta de Triana que se mantenía intacta y que no pudieron abrir debido al gran número de cascotes que la cubrían. La muralla fue ganada por las escalas si bien tanto aparato sobraba pues no quedaba nadie para defenderla y aparte había brechas en la misma para entrar.

La bandera del príncipe de Orange- Nassau fue colocado en lo alto de la torre para demostrar la posesión de la misma. La ciudad estaba desierta como una ciudad fantasma pues los moradores hacían de tripas corazón esperando la venganza para volver a recuperar el dominio de la ciudad y expulsar al enemigo. Van der Does además quiso afianzar la posición de la ciudad sobre los defensores trasladando toda la artillería a la misma para defenderla. Los únicos habitantes que encontraron los holandeses eran los prisioneros de la cárcel de la inquisición que incluía varios ingleses y holandeses algunos de ellos de Flesinga uno de los cuales se había escapado al ver el desconcierto de la ciudad y que cuando los holandeses entraron a la misma se dirigió hacia ellos dando gritos y muestras de alegría hacia sus compatriotas. Van der Does entonces autorizó el saqueo de la ciudad que no dio el resultado esperado por haberse evacuado todo lo de valor exceptuando los muebles y demás que no podía ser llevado.

11.- La resistencia y la victoria canaria sobre el enemigo
Mientras la ciudad era ganada por el enemigo los oidores, regentes, la Audiencia y las milicias trasladaban todo lo de valor a Santa Brígida que sería el cuartel de la resistencia. Se dio orden de atrapar a todo aquel miliciano pero la medida no fue necesaria pues iban hacia allá todos los que estaban dispersos y comenzaban a agruparse. Los últimos en venir fueron los milicianos de la ciudad con el teniente Pamochamoso que fue a ver al gobernador Alvarado para informarle de la situación de la caída de la ciudad. Se dio orden de que todas las milicias se concentrasen en Santa Brígida y de que se hostigase al enemigo sin tregua ni compasión en forma de batidas y pequeñas escaramuzas valiéndose los aldeanos de un superior conocimiento del terreno. Este aspecto se puso en práctica la noche del 28 de junio y obtuvo resultados moderados pues consiguieron dispersar algunos grupos de patrulla enemiga que estaban rondando cerca y dieron muerte a algunos de ellos.

El 29 de junio se recibía la carta de van der Does en las cuales se daba una serie de condiciones sobre el rescate de la ciudad así como las argumentaciones sobre la conquista de la ciudad así sobre los trámites del rescate así como para decir que la había ganado para los señores estados. La carta no causó gran impresión entre los que estaban reunidos y se acordó devolverla a van der Does por estar mal echa y aparte por lo insultante de su contenido. En realidad se hacía tiempo para organizar la defensa para repeler al invasor que tan injustamente se había apoderado de la ciudad y cuya rabia y odio al enemigo se acrecentaba por momentos. Esa jornada además van der Does quiso realizar una expedición a la Vega pero fracasó dejando más de 20 muertos en el camino.

El género de guerra puesto por los defensores viendo que las fuerzas no eran aún grandes fue de guerrillas. Los canarios aprovechando los accidentes del terreno se dieron a una guerra sin cuartel contra el holandés de forma que todas aquellas divisiones que se alejaban de la ciudad para vigilar eran atacadas sin piedad por estos que aprovechando cualquier escondite esperaban y luego se abalanzaban sobre ellos sin ni siquiera capacidad de respuesta, para cuando la siguiente patrulla llegaba solo se encontraban los cadáveres y los atacantes habían desaparecido, en la ciudad comenzaron también las escaramuzas contra los vigías y así se los mataron varias veces, el género de inquietud que estaban alcanzando fue tal que se debió emplazar una compañía completa en la ciudad para evitar tales ataques y proteger a los centinelas. Ese mismo día se tuvo constancia de que los holandeses querían atacar Tenerife, se quiso enviar un aviso a Tenerife pero fue bastante providencial pues un aviso de esta isla atracaba en el puerto del Juncal y Lope de Mesa se embarcó en el para informar al cabildo de Tenerife para avisar del peligro y las fuerzas del holandés. En este navío solo iba como compañero el patrón de la embarcación Lucas Delgado que en la anterior ocasión demostró su valía contra el enemigo, y que amparados por la noche y navegando a remo y vela toda la noche desembarcan en Santa Cruz. Los informes detuvieron a las compañías expedicionarias próximas a salir y se enviaron avisos urgentes a El Hierro, La Palma y La Gomera, así como la metrópoli y las colonias para advertir del peligro.

El miércoles 30 de junio van der Does dio orden de embarcar el botín en los galeones del puerto para que en caso de sorpresa salir a toda máquina. Van Der Does entonces envió otra carta sobre el rescate de la ciudad amenazando con pegar fuego a la misma y pasar por el cuchillo a todos los que había. En aquel momento además se tuvo conciencia de la llegada de la habitual flota de Nueva España, se consideró oportuno entretener al holandés para que no atacara a la flota y se dedicaron a parlamentar con el tan solo de puro entretenimiento mientras la flota pasaba sin tocar las islas y se preparaban para la revancha las tropas de Santa Brígida. Van der Does pedía un rescate de la ciudad de 400.000 ducados, así como anualmente 10.000 ducados por la posesión de los señores estados de la isla de Gran Canaria sí de las otras que pudieran tener así como liberar a los presos de la inquisición si se cumplía todo esto la magnánima persona de los señores estados daba libertad a los canarios de volver a sus haciendas. Ese mismo día las compañías de Galdar y Guía se estacionaban cerca de la ciudad sitiada para reconocer los movimientos del enemigo. El tiempo pasaba y van der Does se impacientaba pues todo era una calma absoluta, no tenía noticia de los emisarios y si bien había habido algún movimiento no era de la misma virulencia que los anteriores, van der Does decidió dar una aparatosa ceremonia luterana en la Iglesia Catedral celebrando la aparente victoria y pidiendo ayuda para las siguientes empresas.

Los días 1 y 2 de julio se mantuvo el mismo ambiente tan solo interrumpido por algunas escaramuzas, el jueves envió emisarios de nuevo al cuartel general de Santa Brígida para ver como estaba el asunto del dinero mencionando las dichas amenazas de pegar fuego a la ciudad si el viernes no se hacía cumplida en efectivo. La audiencia contesto que hiciera lo que hiciera la gente de la isla se defendería. Las fingidas negociaciones quedaron rotas si bien el cronista holandés Joostens van Heede da por supuesto que los canarios iniciaron las negociaciones de rescate ofreciendo vino a los holandeses. Considerando ya en la realidad un ataque holandés al interior de la isla la vigilancia se redobló.

La orden de la Audiencia, que bajo pena de muerte amenazaba a los naturales que no acudiesen en defensa de la isla, no surtió mucha importancia pues tan solo se pudo reunir a 300 personas para la inminente batalla del Lentiscal. Durante el 2 de julio se concentraron las tropas de Galdar, Guía, Telde y Agüimes así como a la compañía de la ciudad al mando de Martel Peraza de Ayala que había vuelto de Tenerife. La situación estaba en estado de máxima tensión y así a las 11 de la mañana del sábado 3 de julio de 1599 se vio una importante formación de 4000 hombres avanzando en cuatro compañías distintas hacia el interior de la isla, acuciadas por la idea de que las riquezas estaban en el interior de la isla.

Y así avanzaban hacia la Vega. Las compañías de Galdar y de Guía se replegaban hacia el monte Lentiscal para establecer el contacto con las fuerzas españolas apostadas allí. Pamochamoso por su parte se fue replegando también hacia el monte Lentiscal para conocer de primera mano los movimientos del enemigo y su proximidad. La batalla del monte Lentiscal salvó in extremis a la isla pues Pamochamoso y los capitanes urgieron un sistema de defensa basado en ocultar al enemigo la verdadera fuerza de que contaban (un puñado de hombres) frente a los 4000 que se dan tanto en las crónicas holandesas como españolas. Se ocuparon de obstruir el paso a los holandeses impidiendo ganar terreno, ello se consiguió mediante la estratagema de tocar tambores y enarbolar banderas tocando a combate, que paró en seco a las fuerzas invasoras, ello unido al ataque que se realizaba desde los árboles y matorrales manteniendo incontable ruido y siempre oculto a los ojos del enemigo y su sistema de ataque por grupos unidos al heroísmo de los hombres, su astucia, el valor desplegado y el engaño obtuvo un rotundo éxito sobre las fuerzas holandesas que tras las bajas que tuvieron se replegaron y salieron en desbandada creyendo que se enfrentaban a un enemigo mayor. La diferencia de los defensores y los invasores tan grande contribuyó a ensalzar la hazaña demostrado por el temple y el brío de los defensores que a la desesperada consiguieron en aquellas horas conjurar el peligro holandés. Antonio Rumeu de Armas dice al respecto:

La isla de Gran Canaria puede decirse que se salvó para España en aquellas decisivas horas, en aquella gloriosa jornada. Jamás, ni antes ni después de su historia, estuvo tan a riesgo de romper, aun a costa de su sangre, los vínculos que la unían con la patria.

El encuentro del monte Lentiscal se había desarrollado con un ritmo tan vertiginoso que nunca se perdió el contacto entre los defensores y el invasor sobre todo por el primero que hostigaba a aquél en la retaguardia y los flancos, la entrada en la ciudad se hizo a toda prisa transportando a algunos muertos y heridos de la batalla y sembró la alarma entre los capitanes que no esperaban aquella resolución. Van der Does ante el cariz de la situación ordenó la evacuación de la ciudad no demorándola si no lo suficiente para el traslado del botín robado. Lleno de rabia ordenó el feroz saqueo de la ciudad desmontando el reloj y las campanas de la catedral, los ornamentos sagrados, objetos preciosos, los pergaminos y documentos del archivo catedral y luego destrozaron con furor iconoclasta todos los retablos, altares, el púlpito, parte del coro, el órgano, la pila bautismal, una talla de madera de gran valor artístico y los libros de canto, el templo en su estructura se salvó por no poder destruirlo a tiempo. Se dedicaron a igual saqueo el palacio episcopal, las casas de la audiencia, el Cabildo e Inquisición y se desalojaron además las piezas de la artillería principal. Así como de las fortalezas consumando a la ruina la destrucción del fuerte de Santa Ana al que volaron con un barril de pólvora. Y en la fortaleza principal todo lo que podía ser quemado. Las fuerzas defensivas se encontraban ya cerca de la ciudad y durmieron a los pies de la misma.

El domingo 4 de julio, van der Does abandonó las Palmas en dirección a la escuadra pero dejando a la soldadesca al cargo de incendiar la ciudad. Cuando las columnas de humo se comenzaron a elevar sobre la ciudad las tropas se agruparon y entraron en la ciudad al mando de Pamochamoso para evitar la ruina de la ciudad. Aquellos que quisieron continuar con la obra incendiara lo pagaron con su vida pues los naturales caían sobre ellos en masa mientras los soldados holandeses huían dejando incluso los objetos de valor que tenían pensado embarcar, la sorpresa holandesa fue mayúscula pues no creían que los españoles se atrevería a iniciar el asalto a la ciudad.

La artillería preparada para el embarco se tuvo que quedar en la caleta pues no dio tiempo de embarque. Total que para el 4 de julio hacia el medio día la isla quedaba libre de la presencia holandesa pero la escuadra se quedaba amenazante en el puerto. El fuego que ardía violentamente en la ciudad pudo ser sofocado ascendiendo los daños en total de todo el conjunto de edificios, fortificaciones y avituallamiento a 93.000 ducados. Si bien Rumeu da la cifra de 150.000 ducados en torno a los que puede evaluarse. La escuadra Holandesa permaneció en el puerto hasta el 8 de julio fecha en la cual se dio a la mar. Las bajas holandesas incluían varias lanchas 8 en total, planudas destruidas, y dos navíos uno de ellos una almiranta. Así pues van der Does abandonaba el escenario el 10 de julio para no regresar jamás.

12.- Técnica naval y vida a bordo de la armada, primera parte, sobre la artillería de a bordo
Hemos de retroceder tiempo atrás para que los hombres en sus batallas comenzaran a ver en los barcos una fuerza disuasoria que con el tiempo derivara en las acciones artilleras de nuestro tiempo y en el caso de Pieter van der Does y Francis Drake les sirvieran de argumento disuasorio a la armada española. Para comenzar la primera evolución de los barcos la tenemos en 1350 cuando se adopta el timón de caña en sustitución del timón de espadillas que se situaba en las aletas de popa del mismo y que era una reminiscencia de las trirremes romanas. Las espadillas de popa que eran muy navegables en las calmas aguas del mediterráneo no lo eran tanto en el caso de los mares del norte y el atlántico por lo que se adoptó este sistema que estaba de boga en la época de Drake y van der Does.

Este sistema sería sustituido por el timón de rueda a mediados del siglo XVII. El timón de caña consistía en una caña unida a la pala del timón como la de bote y que se gobernaba desde una cámara situada debajo de la cubierta de toldilla que se encontraba en la parte alta del castillo de popa y que recibía este nombre del toldo que se ponía para proteger del sol a los hombres. Este timón requería de uno o dos hombres para mover esta caña que recibía el nombre de mecha en el argot marinero. El timón estaba unido a la parte de popa del barco por unas piezas llamadas machos que se insertaban en las hembras del timón que estaban sujetas al codaste del barco o la pieza gruesa que conectaba con la quilla. A este conjunto de piezas se les llamaba la guarnición del timón. Los primeros barcos eran sólidas barcazas con los castillos unidos a la superestructura del navío y se llamaban así por que remataban en unas torrecillas desde donde los arqueros disparaban flechas a los otros barcos. No obstante estos barcos solo eran la continuidad de la batalla de tierra en el mar y eran bastante pesados de maniobrar. Inestables debido a su altura y por las estructuras de popa y de proa no estaban muy capacitados para navegar, portaban una única vela cuadra en el palo llamado mayor y navegaban muy mal de cara al viento (navegación en bolina).

La siguiente respuesta fue la carabela, que mucha gente confunde con las naos. La carabela tenía unas líneas muy finas y constaba de tres palos principales que de proa a popa son trinquete, mayor y mesana. Portando las velas de cuchillo llamadas latinas por ser triangulares. Estibadas a los lados de estos mástiles la navegación de bolina era excelente.

La nao es el siguiente paso pues se conjugo la capacidad de carga del primer tipo de barco llamado coca con las características de la carabela dando lugar a un navío que en sus mástiles de trinquete y mayor poseía velas cuadras y en el de mesana la vela latina. En este caso vemos que le castillo de proa y popa es una continuación de las propias cuadernas del barco y ya no están adosados. Este barco tiene una representación en la Santa Maria de Colón.

El siguiente paso y que se atribuye a un invento español de los maestros de rivera del norte es el galeón un navío de carga rechoncho más grande que la nao pero con mas maniobrabilidad que la carraca portuguesa de la época. Este barco será el predominante hasta el siglo XVIIII cuando por evolución ceda su paso al navío de línea. Este buque era básicamente un barco de carga con defensas y se distinguían dos tipos: los galeones de la carrera de Indias y los galeones de armada. El primer tipo era de vaso mas rechoncho y arrufo pronunciado, estaba construido en madera de roble y cerezo por considerarse las mejores para las aguas corrosivas del caribe debido a su salinidad y a la broma (molusco xilófago).

Los galeones de armada eran de mayor porte que los primeros, construidos en pino y abeto no eran tan resistentes como los primeros pero tenían un vaso mas cerrado y un arrufo menos pronunciado, por si esto no fuera suficiente se distinguían en un echo fundamental: el número de cañones que portaban que en galeón de la carrera eran del orden de los 10 a los 24 y en el galeón de armada de los 30 en adelante. La disposición y evolución de los cañones es importante. En el XV las naos transportaban por lo general 4 cañones que eran lombardas de pequeño alcance que se cargaban por la antecarga es decir por detrás y la pieza de la cámara se podía abrir para dejar paso a la bala y luego se cerraba, y estas piezas eran de bronce. El calibre oscilaba entre las 20 a 30 libras y disparaban en principio pelotas de piedra si bien modelos más primitivos disparaban flechas de madera y bronce. Estas piezas se situaban en los costados de babor y estribor del barco en número de dos.

Otras piezas más populares eran los llamados falconetes que se encontraban en cubierta en las barandas de las partes altas de los castillos de popa y que eran pequeños cañones de bronce de avancarga que disparaban munición pequeña de 10 libras y eran para evitar el abordaje de otro buque y se disparaba contra la tropa. Estas armas fueron aumentando en potencia de fuego, así tenemos para el siglo XV un alcance óptimo de 100 metros y para el XVI un alcance de 400- 600 metros.

Aunque pueda parecer algo irrisorio, la calidad de la pólvora y la construcción de los mismos fue aumentando y para la técnica de la época no esta nada mal. Los nuevos cañones hechos en bronce fundido de una sola pieza y de gruesas paredes resistían mejor que los anteriores de dos piezas y no estallaban tan frecuentemente cuando se calentaban. Estos tenían para el caso de las lombardas un tamaño de boca de 350mm y eran cañones de bombardeo o de batir. En este caso las pelotas de piedra fueron sustituidas por pelotas de plomo y no de hierro por lo incapaz de controlar el tiro del cañón.

Al principio los cañones estaban fijados a la cubierta de forma inmóvil de esta forma solo se podía ajustar el tiro en la vertical pero no en la horizontal. Posteriormente se pusieron ruedas de maderas reforzadas con chapa de hierro y ajustados a la borda por un sistema de poleas y cuerdas, cuando había oleaje se tenían que sujetar fuertemente pues si se soltaban arroyaban con todo lo que había a su paso ocasionando la muerte a los que pillara se le llamaba entonces un cañón desbocado.

Los cañones evolucionaron además en el sistema de tiro de forma que ahora en vez de consistir en una mecha insertada en el oído que era como se llamaba al orificio que ponía en contacto la pólvora con la mecha se constaba de un dispositivo de resorte que consistía en un seguro que al soltar el disparador caía sobre la cazoleta de la pólvora inflamándola con la mecha y provocando su ignición. Este sistema era el utilizado por los arcabuces en tierra en el cual al aplicar el gatillo este liberaba la presión del muelle y caía sobre la cazoleta donde estaba la pólvora inflamándola y pasando los gases al cañón que se llama ánima. Esto se producía en el oído pues en los mosquetones y arcabuces la cazoleta estaba fuera físicamente del cañón. La explosión de la pólvora conseguía cegar a muchos arcabuceros al entrar en contacto con los ojos en las sucesivas veces que se disparaba. En los cañones al estar la pólvora en el interior del cañón esta producía la bocanada al salir la bala del mismo y de allí se delataba la presencia del cañón por la posición de su bocanada. El estruendo era bastante grande y la mayoría que se encontrara cerca del cañón debido al arrufo se podía quedar sordo. Por lo general la gente se situaba detrás del cañón.

Para disparar un cañón se seguía una secuencia establecida de la siguiente manera: el cañón tenía 5 servidores. El que se encargaba de traer la pólvora se llamaba paje y por lo general era un niño de 12 años que era un grumete. Cuando se tenía la pólvora dos servidores retiraban el cañón por medio del sistema de cuerdas y poleas ya comentado y atado a la encabalgadura del cañón y limpiaban el ánima de los restos de pólvora con un escobillón. Luego se introducía la pólvora con trozos de papel y se compactaba en el fondo del cañón. A continuación con una pala en forma de cuchara se introducía la bala en su interior y se empujaba. Luego se introducía la cuerda en el oído. Esta cuerda de tela estaba además impregnada en pólvora para que la combustión fuera rápida. La quinta persona se llamaba artillero y se encargaba del tiro del cañón el cual tenía una escuadra llamada de Tartaglia en la cual de manera bastante empírica se calculaba el ángulo de tiro llamado balístico. La escuadra era de madera y tenía el limbo graduado. Una plomada decía el ángulo de elevación óptimo cuando la plomada se colocaba en la boca del cañón con la escuadra. El cañón ya elevado y con la escuadra en su boca se soltaba la plomada que quedaba recta respecto a la vertical y daba el ángulo de elevación el ángulo de elevación óptimo para el mayor alcance se conseguía con un ángulo de 45 grados y a partir de aquí la distancia decrecía. A continuación se prendía fuego a la mecha cuando la llama llegaba a la cámara donde se alojaba la pólvora (llamada así por el espacio que quedaba entre la bala y la cámara) producía la deflagración de la pólvora elevándola a temperaturas del orden de los 2500 grados centígrados. Los gases bajo presión empujaban la bala por el ánima del cañón y salía con una velocidad de escape de 112 metros por segundo. La pólvora cuando la bala salía se descomprimía súbitamente produciendo el típico ruido del cañón y dando lugar a la bocanada que proseguía a la explosión.

Este sistema era el que una tripulación experta podía realizar en 4 minutos para volver a cargar el cañón y volverlo a disparar. En tierra era el mismo procedimiento. Para los mosquetes y arcabuces naturalmente se servia una sola persona que según la experiencia tardaba un minuto o dos en cargarlo para volver a disparar. La pólvora se estibaba en un lugar del barco llamado santabárbara que era una estancia recubierta de tela mojada para evitar un incendio que volara el barco. Los barriles estaban estibados con sumo cuidado y las linternas de la iluminación se apagaban después del combate para evitar accidentes. La pólvora que se utilizaba era negra y de combustión lenta. De aspecto granular. Tenía una composición de azufre, salitre y carbón. Dejaba bastante impurezas en los cañones y tendía a obstruirlos por lo que después del XVIII fue sustituido por las pólvoras llamadas químicas que utilizaban otro detonante sin necesidad de prenderles fuego y además evitaban la bocanada de humo. Respecto al combate naval para evitar que la pieza reventara se tenían unos baldes de agua que se echaban sobre el cañón para enfriarlos y evitar que reventara. Una explosión así podía matar a todos los artilleros del cañón y producir heridas a los que hubiera a su alrededor. Por ello estaban los baldes. Para agilizar la carga del cañón ya se traía de antemano la cantidad necesaria en una bolsita de tela y estaba medida para no perder tiempo. Se evitaba con cuidado que la pólvora se inflamara al contacto del metal caliente del cañón y por ello se echaba agua alrededor del orifico de entrada de la pólvora. Cuando no se utilizaba el cañón se tapaba la boca y se obturaba el orificio para evitar su deterioro. Se utilizaba brea y aceite para enlucirlo y evitar su picado. En los sistemas terrestres el mecanismo de disparo era de pedernal, cuerda, o rueda. De todos el más fiable era el de pedernal pues en este caso sobre la cazoleta caía un pedernal que daba sobre otro y la chispa inflamaba la cazoleta de la pólvora. En el de rueda consistía en una rueda giratoria encerrada en un mecanismo protector que al girar daba contra un pedernal y daba una lluvia de chispas. Para accionar la rueda había un muelle que al ser liberado giraba como el muelle de un reloj pero con la salvedad de que este estaba acoplado a un eje con un disco abrasivo que al dar contra el pedernal daba una cascada de chispas sobre la cazoleta que la inflamaban y producían el disparo.

De todas formas a pesar de la rapidez del disparo por lo general en un abordaje en alta mar lo más posible es que se recurrieran a espadas y otros útiles contundentes para enfrentarse al enemigo pues se tardaba bastante en limpiar, cargar y disparar el mosquete para luego volver a repetir la operación. En caso de abordaje los tiradores se encontraban sobre las vergas o bien en la cofa del vigía desde donde podían realizar disparos certeros sin posibilidad de que les dieran.

EL 8 DE JULIO  DE 1599
LEVA ANCLAS LA ESCUADRA DE PIETER VAN DER DOES
DEL PUERTO DE WINIWUADA
xxxxx.jpg

1599 Febrero 19
Durante las enconadas luchas por la independencia de los Países Bajos, y siendo Gobernador de aquellos territorios el Archiduque Alberto y su esposa Isabel Clara Eugenia, expidieron e l9 de Febrero de 1599 un edicto cerrando los puertos de los Países Bajos católicos, a los navíos de las provincias protestantes, y por haberse adherido a él el Monarca español, quedó la península Ibérica cerrada al tráfico holandés, intentaron éstos sortear la prohibición enviando las mercancías a España y su imperio, valiéndose de buques de Francia, Escocia, y Dinamarca, pero para conjurar el paro marítimo decidieron Mauricio de Orange  y Johan van Oldenbamevelt, sagaz político a quien había encargado la dirección del Estado, organizar una importante escuadra para atacar los dominios españoles, eligiendo para la dirección de ella al famoso marino y general de artillería Pieter van der Does; el navío almirante por él escogido llamábase Orangieboom (El Naranjero); también iba el De gulden Leeu (León de Oro) destacando entre todos por su extraordinario porte el Grootschip van Amsterdam. En general todos los navíos eran muy fuertes, construidos con arreglo a la técnica naval más adelantada y poderosamente artillados.

 En las instrucciones se le daba como primer objetivo Coruña, y sucesivamente río de Lisboa, Sanlúcar y Cádiz para cautivar o destruir el mayor número posible de buques del enemigo y luego causarle todos los perjuicios posibles, apresando sus navios mercantes, atacando sus puertos, ciudades é islas, imponiendoles rescates ú hostilizandolos segun los casos. Asimismo se le encargaba el cautivar el mayor número posible de prisioneros para canjearlos por los capitanes y marinos de estas provincias, y le daban normas sobre la manera de ocupar y fortificar los lugares adecuados para el anclaje y protección de los navíos, procurando soliviantar sus poblaciones contra España y ganarlas con todo género de mercedes y gracias. Por último se le reitera el encargo de emprender contra todas las islas, territorios y poblaciones dependientes del Rey de España... y contra todos sus bienes y barcos... cuantas acciones juzgara mas provechosas... para el mayor honor y servicio de la nacion.

 El 21 de Mayo de 1599, Van der Does fue a Bommel para despedirse de Mauricio de Orange marchando seguidamente al puerto de Flesinga  donde se concentraba la escuadra los días 23 y 24 de Mayo reuniéndose 73 navíos con 8.000 soldados dis-puestos en diez compañías de Infantería veterana y 4.000 tripulantes. Se organizaron tres escuadras que llevaban por insignias banderas naranjas, blancas, azules, y Van der Does iba como Almirante en la de la insignia naranja; la blanca tenía por Almirante A Jan Gerbrantz y la azul a Cornelis Geleyntz. Al frente de las tropas de desembarco iba como comandante Gerardt Storm van Weenen, siendo los capitanes de las compañías de infantería veterana: Verloo Storm, Caluwart, var der Dussen, Neetkercke, Loe, Reynier, Egmont, Maresteyn y Baynum. Se embarcó la impedimenta, y como lastre se colocó gran cantidad de sillares y ladrillos para ser utilizados en la fortificación de las plazas ocupadas.

 Zarpó la escuadra de Flesinga el 28 de Mayo de 1599 y después de una breve escala en Plymouth llegó a La Coruña el 11 de Junio y al ver que la plaza estaba preparada para recibirla continuó viaje y no pudiendo atacar Sanlúcar por sorpresa, marchó al archipiélago canario cuyas costas divisaron el 25 de Junio; contorneó la escuadra sin detenerse las islas de Lanzarote y Fuerteventura, y al siguiente día por la mañana, todos los navíos empavesados echaron anclas frente a la ciudad de Las Palmas que pudo contemplar la escuadra más poderosa que jamás ha surcado por sus aguas.

 No estaban desprevenidas las islas, pues en Tenerife se recibió un aviso el l0 de Mayo de 1599 anunciando que en Inglaterra se estaba preparando una poderosa escuadra de más de 300 navíos para hostilizar la metrópoli española y sus rutas oceánicas, siendo de temer que las Canarias fuesen, como casi siempre, uno de los puntos de ataque escogidos. Por la misma época avisaron a Gran Canaria el duque de Medina Sidonia que transmitía un parte del Gobernador de Dunkerque  donde decía que en las yslas de Olanda y Zelanda se armaban ciento y tantos navios para venir contra estas y especialmente contra la de Tenerife. Varios mercaderes de La Laguna, Garachico y Las Palmas que tenían sus corresponsales en Francia y Flandes, recibieron análogos avisos

advirtiendoles que pusiesen su hazienda en cobro.

 No creyeron las islas que una armada tan grande se reuniese para atacarlas, si bien a pesar de todo en Junio de 1599 se celebraron diversas Juntas para tratar de la defensa de Gran Canaria, acordándose la inspección de las tres fortalezas de La Luz, Santa Ana y San Pedro, el cubelo de la falda de San Francisco, las murallas y trincheras de Santa Catalina y del istmo de Guanarteme. La isla que se consideraba en mayor peligro era la de Tenerife, no sólo por las confidencias recibidas, sino por ser la isla más rica; los holandeses tenían una confusa idea de las que componían el archipiélago y no establecían diferencias entre Tenerife y Gran Canaria; los cronistas holandeses hablan de Allagoena -que se pronuncia Alaguna- como la ciudad capital de Gran Canaria, siendo pues esta ciudad la meta de la expedición, lo que explica los avisos recibidos en la isla de Tenerife.

 Después de una preparación, Van der Does eligió para desembarcar el propio embarcadero del puerto en el istmo de Guanarteme, donde se hallaban construidas las trincheras que defendía el Capitán Juan Ruiz de Alarcón, entre las actuales calles de Gran Canaria y Tenerife, pero fracasó en su intento; fue el segundo por la caleta de Santa Catalina -la actual playa de las Alcarabaneras- previo un bombardeo de la costa por los buques holandeses y también fracasó. Por tercera vez intentaron desembarcar por un caletón al Norte de la playa de Santa Catalina, entre la Base Naval y el muelle de

Santa Catalina, y allí acudió Alvarado siendo rechazados y entonces las lanchas derivaron remando de nuevo hacia el desembarcadero del puerto, donde por cuarta vez fueron rechazados por lo que Van der Does dio orden de retorno a los navíos para reagrupar sus fuerzas, lo que visto por los canarios creyeron se retiraba el invasor.

 Rehecha la nueva formación de las lanchas eligió para el nuevo asalto el trozo de costa situado en la mitad del gran arco que forma el puerto desde la punta de Santa Catalina hasta la ermita de Nuestra Señora de la luz, paraje batido por el mar y sembrado de escollos no considerado accesible a las embarcaciones por lo que no se había intentado defender ni construir trincheras. Este quinto intento tuvo éxito y aunque se realizaron prodigios de valor como el conocido de Cipriano de Torres, capitán de la Vega y otros muchos, lograron apoderarse del istmo de Guanarteme muriendo en la refriega el capitán de Arucas Clemente Jordán, el Alférez Antonio Hernández Ramos, el Alguacil Juan Muñoz, el criado del Obispo Pedro Montión, el cura de Teror Juan Ribero y otros muchos. los heridos fueron en mayor número, siendo los más destacados el propio Gobernador y Capitán general Alonso de Alvarado a quien un casco de metralla le mató el caballo fracturándole de paso la pierna derecha por lo que cayó en tierra sin sentido, aunque en otras relaciones consta que la herida de la pierna fue producida por bala enemiga; el Sargento Mayor Antonio de Heredia que también perdió su caba11o en la refriega, el Teniente Pamochamoso, el Capitán Andrés de Betancor de una de las compañías de Telde que falleció pocas horas después, el Capitán Juan Ruiz de Alarcón, el Capitán de Teror Baltasar de Arencibia, el Alférez de Telde Juan Mayor y otros varios.

 Entre tanto el alcaide de la fortaleza de las Isletas Antonio Joven con los 58 hombres que componían la guarnición, se rindieron pasando maniatados a los navíos y a este traidor se achaca la pérdida de la ciudad, haciendo constar los historiadores que no era canario sino genovés e hijo de Jaime Joven también genovés, si bien más que traidor parece que fue cobarde.

 No pretendemos hacer un estudio de esta interesante operación, que además es sobradamente conocida; como se sabe se apoderaron de la ciudad, saquearon la misma, las autoridades marcharon a la Vega, se dio la batalla del Monte lentiscal y por último el jueves 8 de Julio levó anclas la armada;  Alonso de Alvarado falleció el 20 de Agosto de 1599 y le sustituyó Antonio Pamochamoso. (En: José María Pinto y de la Rosa. 1996). 

1599. Desatendido el mandato, la corona perdió autoridad, dejándose el resto tras desembarco de holandeses en Tamaránt (Gran Canaria), en 1599. Ocupada sin tropezar con resistencia, los flamencos respetaron al pueblo llano, liquidando jerarcas, eclesiásticos y civiles, con aprobación general. Al no tener intención de quedarse con la isla, porque no les pareció rentable, la abandonaron por su pie. Para ocultar que la afrenta fue posible por pura estupidez del poder, se acusó a los naturales de haber vendido a los moros armas y pólvora, que nunca mandó el rey español, sacándolas en cajas de azúcar y confitura. Al respetar al pueblo llano, en sus personas y pertenencias.

En buenas relaciones con la población, hubiesen podido permanecer indefinidamente en la isla, pero la abandonaron por su pie, sin causa conocida que les forzase

Con motivo de la invasión de la armada holandesa al mando de Peter van der Does, fue incendiado este Castillo de La Luz en Las Palmas de Gran Canaria desapareciendo todo lo susceptible de arder, como la vivienda del Castellano, las escaleras y la puerta principal entre otras cosas

1599. Es incendiada por la tropas de Meter Van der Does la ermita de los pescadores dedicada por la secta católica a San Telmo n Winiwuada n Tamaránt (La Palmas de Gran Canaria). Actualmente la Ermita de San Telmo nos recuerda una característica propia del barrio Triana hasta el siglo XIX: Triana era un barrio marinero. Esta ermita fue construida en el siglo XVI al norte de la ciudad por los mareantes, por la Confraternidad de Mareantes. Se reconstruyó en la primera mitad del siglo XVII.

 
Se trata de una ermita con planta rectangular y con una sola nave. Su portada presenta una solución clasicista con un referente goticista que apreciamos en su arco ligeramente apuntado. Es un ejemplo de arquitectura mudéjar con portada gótico-renacentista. En su interior es digno de mención, además del artesonado mudéjar y el retablo, la Inmaculada procedente del Convento de las Bernardas. El ilustrado español marqués de Lozoya atribuyó a Alonso Cano esta imagen. Otras obras magníficas y de gran devoción son: el Señor de la Burrita y el Niño del Remedio.

1599. Gonzalo de Saavedra, colono esclavista autodenominado señor de la isla Erbania (Fuerteventura), acuerda constituir Pósito, en las mismas ruinas de la Parroquia de la secta católica en Betancuria, constituida en capital de la isla, cuyo funcionamiento como reserva de trigo tendrá lugar en lo sucesivo y en los próximos años, del recién llegado siglo XVII, en el que Roldán apunta que se ahuyentó el hambre. Si bien en 1639 ya se tienen noticias de la existencia de nuevas hambrunas, y es asaltada una carabela portuguesa surta en Caleta de Fuste que pretendía llevar trigo a la Madera y no permitiéndose la salida al recordar que en los años anteriores murieron de hambre muchas personas. Pero es desde 1650 cuando Erbania (Fuerteventura) se va a ver envuelta en una sucesiva serie de grandes hambres que culminarán en la de 1721 y siguientes, probablemente la mayor calamidad de su historia colonial.


PlayadeMaspalomas.jpg                                                  Playa de Maspalomas.
U heeft het bovenstaande, zonder al te veel het woordenboek te raadplegen, redelijk tot goed kunnen lezen en begrijpen?  
Dan bent u dus beslist geen guiri; complimenten en... gefeliciteerd
!

 0000Islas-canariaslogo-kopie-183.jpg


 

kaart_canaria-5-65.jpg